Spastische cerebrale parese

  • View
    214

  • Download
    1

Embed Size (px)

Text of Spastische cerebrale parese

  • Conceptrichtlijn Diagnostiek en behandeling van kinderen met 5

    spastische Cerebrale Parese 10 15 INITIATIEF Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen ORGANISATIE Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO 20 MANDATERENDE VERENIGINGEN/INSTANTIES BOSK - Vereniging van motorisch gehandicapten en hun ouders Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie Nederlandse Orthopaedische Vereniging 25 Nederlandse Vereniging voor Ergotherapie Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de Kinder- en Jeugdgezondheidszorg Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde Nederlandse Vereniging voor Kinderneurologie Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie 30 Nederlandse Vereniging voor Neurologie Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie FINANCIERING: Deze richtlijn is tot stand gekomen met financile steun van de Orde van Medisch Specialisten in het 35 kader van het programma Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO)

  • COLOFON CONCEPTRICHTLIJN DIAGNOSTIEK EN BEHANDELING VAN KINDEREN MET SPASTISCHE CEREBRALE PARESE 2006 Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen Postbus 9696 3506 GR UTRECHT Tel: 030-2739696 Fax: 030-2739406 vra.artsennet.nl 5 10 De richtlijn Diagnostiek en behandeling van kinderen met spastische Cerebrale Parese is mede totstandgekomen door het programma Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO) van de Orde van Medisch Specialisten. 15 Alle rechten voorbehouden. De tekst uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopien of enige andere manier, echter uitsluitend na voorafgaande toestemming van de uitgever. Toestemming voor gebruik van tekst(gedeelten) kunt u schriftelijk of per e-mail en uitsluitend bij 20 de uitgever aanvragen. Adres en e-mailadres: zie boven. Het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, gevestigd in Utrecht, heeft tot doel individuele beroepsbeoefenaren, hun beroepsverenigingen en zorginstellingen te ondersteunen bij het verbeteren 25 van de patintenzorg. Het CBO biedt via programmas en projecten ondersteuning en begeleiding bij systematisch en gestructureerd meten, verbeteren en borgen van kwaliteit van de patintenzorg. De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) is de landelijke wetenschappelijke vereniging van medisch specialisten in de revalidatiegeneeskunde. De kernactiviteiten van een revalidatiearts zijn: 30 diagnostiek, behandeling, advies en consultatie bij patinten met functieverlies door ziekte, ongeval of een aangeboren aandoening. Revalidatiegeneeskundige behandeling heeft als doel het optimaliseren van functioneren op zowel sociaal als maatschappelijk niveau.

  • INHOUDSOPGAVE

    SAMENSTELLING VAN DE WERKGROEP ................................................................ 1

    HOOFDSTUK 1. ALGEMENE INLEIDING................................................................... 3 5

    HOOFDSTUK 2. SPECIFIEKE INLEIDING.................................................................. 9

    2.1. Beschrijving van het ziektebeeld......................................................................................9

    2.2. Prognose en prognostische factoren .............................................................................18

    2.3. Ouderbeleving ten aanzien van het ziektebeeld Cerebrale Parese................................28

    2.3.1 Diagnosestelling ............................................................................................................29 10 2.3.2 Rouw en verwerking ......................................................................................................31

    2.3.3 Stress ............................................................................................................................35

    2.3.4 Strategien ....................................................................................................................36

    2.3.5 Ervaringsleren ...............................................................................................................37

    2.3.6 Ouderondersteuning......................................................................................................38 15

    HOOFDSTUK 3. DIAGNOSTIEK ............................................................................... 41

    3.1. Hoe stelt men vast dat er sprake is van een niet-progressieve beschadiging van de hersenen? .....................................................................................................................42

    3.2. Hoe kan men met neurologisch onderzoek aantonen dat er sprake is van spasticiteit als kenmerkend fenomeen om het type CP te bepalen? .....................................................44 20

    3.3. Hoe wordt het type bewegingsstoornis met de bijbehorende topografie bij CP eenduidig benoemd? .....................................................................................................................47

    3.4. Hoe wordt de ernst van de CP op het gebied van het grof motorisch functioneren geclassificeerd?.............................................................................................................49

    3.5. Hoe wordt de ernst van de CP op het gebied van de arm en hand functie geclassificeerd?25 51

    3.6. Welke instrumenten zijn geschikt om vast te stellen in welke mate er sprake is van gestoorde lichaamsfuncties die frequent voorkomen bij CP?.........................................56

    3.6.1 Spasticiteit .....................................................................................................................56

    3.6.2 Parese (spierkracht).......................................................................................................58 30 3.6.3 Mobiliteit (range of motion) van de gewrichtsstructuren .................................................60

    3.6.4 Scoliose.........................................................................................................................62

    3.6.5 Heupafwijkingen (lateralisatie) .......................................................................................64

    3.7. Hoe meet je verbetering of verslechtering in het dagelijks functioneren met betrekking tot de mobiliteit (zitten, staan, lopen, verplaatsen) bij CP?..................................................65 35

    3.7.1 Hoe wordt gangbeeld geclassificeerd? ..........................................................................65

    3.7.2 Is de genstrumenteerde gangbeeld analyse een geschikt instrument voor het vaststellen

    van een bepaald type bewegingsstoornis? ....................................................................70

  • 3.7.3 Welke meetinstrumenten zijn geschikt voor het vastleggen van motorische

    vaardigheden? .............................................................................................................. 73

    3.8. Hoe meet je verbetering of verslechtering in het dagelijks functioneren met betrekking tot de persoonlijke verzorging bij CP?................................................................................ 76

    3.9. He meet je verbetering of verslechtering in het dagelijks functioneren met betrekking tot 5 het gebruik van armen en handen bij CP? .................................................................... 78

    HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN KINDEREN MET SPASTISCHE CEREBRALE PARESE OP STOORNIS NIVEAU ............................................................................. 81

    4.1. Wat is het effect van passief rekken op Range Of Motion (ROM) en spiertonus? ......... 81

    4.2. Wat is het effect van krachttraining op ROM, spiertonus en kracht?.............................. 83 10

    4.3. Wat is het effect van NDT op ROM en spiertonus? ....................................................... 85

    4.4. Wat is het effect van ortheses op ROM, spiertonus en kracht? ..................................... 86

    4.5. Wat is het effect van Selectieve Dorsale Rhizotomie (SDR) op ROM, spiertonus en kracht?.......................................................................................................................... 88

    4.6. Wat is het effect van spierverlenging, tenotomie, osteotomie op ROM, spiertonus en 15 kracht?.......................................................................................................................... 91

    4.7. Wat is het effect van intrathecale baclofen (ITB) op ROM, spiertonus, kracht en pijn?.. 93

    4.8. Wat is het effect van botulinetoxine-A (BTX-A) op ROM, spiertonus en pijn?................ 97

    4.9. Wat is het effect van neurolyse en/of motor point blokkade op ROM, spiertonus en pijn? 102 20

    4.10. Wat is het effect van orale spasmolytica op ROM, pijn en spiertonus?........................ 103

    4.11. Wat is het effect van electrostimulatie op ROM, kracht en spiertonus? ....................... 105

    HOOFDSTUK 5. BEHANDELING VAN KINDEREN MET SPASTISCHE CEREBRALE PARESE GERICHT OP VERBETERING VAN MOBILITEIT.................................... 108

    5.1. Wat is het effect van oefentherapie op de mobiliteit? .................................................. 108 25

    5.2. Wat is het effect van Neuro Developmental Treatment (NDT) op de mobiliteit? .......... 112

    5.3. Wat is het effect van functionele fysiotherapie op de mobiliteit?.................................. 113

    5.4. Wat is het effect van conductieve opvoeding op de mobiliteit?.................................... 114

    5.5. Wat is het effect van krachttraining op de mobiliteit?................................................... 115

    5.6. Wat is het effect van conditietraining op de mobiliteit? ......