Kloosterschoolsite Tildonkse ursulinen: een oord van schoonheid

  • Published on
    11-Jan-2017

  • View
    214

  • Download
    1

Transcript

  • 1

    Beknopte bouwgeschiedenis van de kloosterschoolsite van de Tildonkse ursulinen, inclusief restauratie en herbestemming

    EEN OORD VAN SCHOONHEID.

  • Inleiding De meer dan drie hectaren grote site van het klooster- en schoolcomplex van de zusters ursulinen te Tildonk (Haacht) is een stilistisch gevarieerd maar niettemin harmonieus conglomeraat van gebouwen en tuinen. Het geheel vormt een typologisch schoolvoorbeeld van een katholieke, landelijk gelegen meisjeskostschool met als bepalende elementen klooster, internaat, dorpsschool, boerderij en nuts- en siertuinen binnen een ommuurde omheining. Tegelijkertijd getuigt het van de ontwikkelingen in kloosterschoolarchitectuur en bijbehorende groenaanleg tussen de 19de eeuw en het interbellum.

    De originele aankleding en meubilair in vele binnenruimtes alsook de oorspronkelijke aanleg en tuinmeubilair op het domein zijn immers nog grotendeels intact gebleven. Vooral in de vleugels of zalen met representatieve en/of religieuze functie is de complementariteit tussen decoratie en architecturaal kader van een bijzonder niveau. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit waardevol relict van een eertijds afgesloten leefwereld sinds 2002 beschermd is als monument, wegens zijn (architectuur)historische en artistieke waarden. Bovendien maakt het deel uit van een beschermd dorpsgezicht, met pastorie en kerk gelegen aan de door neoclassisistisch genspireerde burgerwoningen geflankeerde Pastoor Lambertzdreef die van de kloosteringang in een recht trac leidt naar het voormalig gemeentehuis. Dit overwegend laat- 19de-eeuws geheel verwijst naar de vroegere welstand ontleend aan de nabijheid van een internationaal gerenommeerde onderwijsinstelling.

    In deze brochure maken we je wegwijs in het rijke verleden van de Tildonkse kloosterschoolsite. We gaan dieper in op de (bouw)geschiedenis, de restauratie en de herbestemming van het gebouwen- en tuinencomplex, gelegen tussen de Kruineikestraat, Kouterstraat en de vaart Leuven-Rupel.

    Overzicht site ................................................................................................................................................................................. 4

    1. Van dorpsschool over pensionnat de demoiselles tot Sint-Angela-Instituut ..................................................................................................................................... 6

    2. Een eeuw architecturale ontplooiing 1821-1930 ..................................................................... 10

    3. Religieus-didactische en functionele park- en tuinaanleg ..................................... 28

    4. Restauratie en herbestemming .................................................................................................................... 35

    Litho uit prospectus van na 1903, met zicht op de feestzaal tussen noord- en zuidvleugel van het schoolcomplex

  • KOUT

    ERST

    RAAT

    KRUINEIKESTRAAT

    KLOO

    STER

    KERK

    FEESTZAAL

    CARROUSEL

    KEUK

    ENS

    WESTVLEUGEL

    NOOR

    DVLE

    UGEL

    ZUID

    VLEU

    GEL

    BOER

    DERI

    J

    NOVICIAAT

    OOSTVLEUGEL

    KLOOSTERKOER

    KLEUTERSCHOOL

    KAPE

    LKOE

    R

    KAPE

    L

    1896

    1890

    1924

    1890

    1868

    1868

    1899

    18801903

    1920 1930

    1900 1903

    1877 1880

    KAPELEERSTE

    KLOOSTERGEBOUW

    18221821

    KRUI

    NEIK

    ESTR

    AAT

    KRUI

    NEIK

    ESTR

    AAT

    1845 - 18521853

    1852

    KRUI

    NEIK

    ESTR

    AAT

    1880 1877 - 1880

    1863

    BOUWFASEN 1821-1880

    OVERZICHT SITE

    4 5

  • 6 7

    Van dorpsschool over pensionnat de demoiselles tot Sint-Angela-InstituutBESCHEIDEN BEGIN

    Het Sint-Angela-Instituut en ursulinenklooster te Tildonk dankt haar oorsprong aan Joan-nes Lambertz (Hoogstraten 1775 - Tildonk 1869), kapelaan (1812-1815) en pastoor (1815-1866) te Tildonk. Getroffen door een - vooral voor meisjes - gebrekkige onderwijsinfrastruc-tuur, richt hij in 1818 een dorpsschool voor kin-deren uit de parochie op in een bijgebouw van de pastorie. Al vanaf het tweede jaar verwel-komt hij er meisjes als internen. Bijgevolg kan men deze instelling tot n van de oudste meis-jespensionaten van Belgi rekenen. In het be-gin nemen drie vrouwen het volksonderwijs op zich. Ze leven samen als kloosterlingen volgens een voorlopige leefregel en met tijdelijke gelof-ten. Hun roepnaam, Dochters van de Heilige Ursula, verwijst naar de inzet van de ursulinen-orde op het vlak van volksonderwijs en armen-zorg. Het stijgend aantal kostschoolleerlingen (10 in 1821 en 28 in 1822) en kloosterlingen (7 in 1819 en 13 in 1822) dwingt de pastoor

    om uit te wijken naar een meer geschikte lo-catie. Na inzameling van fondsen, onder meer bij de priester Van Billoen uit Leuven, koopt hij een stuk grond, centraal gelegen nabij de parochiekerk, ingeplant op de hoek van de Kruineike- en Kouterstraat. Het omvat een huis, genaamd Blommendael, alias s Heeren- of s Gravenhuijs, ter hoogte van de kruising met de huidige Pastoor Lambertzdreef, een brou-werij gelegen aan de Kouterstraat, en een hof van circa 60 are. Na afbraak van het huis voltooit men in 1822 op de huidige locatie de bouw van een kapel en school.

    Het Hollandse bewind beknot sterk het religi-euze fundament van de onderneming. De zus-tergemeenschap mag immers gedurende een decennium slechts als burgerlijke samenleving lesgeven. Ondanks deze tegenkanting tellen de buiten- of dorpsschool en het pensionaat in 1824 respectievelijk 100 en 50 leerlingen en staan in 1830 twintig zusters in voor het on-derricht van 130 pensionnaires. Pas na de Bel-gische onafhankelijkheid en de grondwettelijke vrijheid van godsdienst en onderwijs wordt de toenmalige 18 koppen tellende zustergemeen-schap in 1832 erkend. De formele congregatie leeft vanaf dan volgens de statuten van de ur-sulinen en de regel van de Heilige Augustinus. Het Tildonkse klooster spreidt al snel zijn vleu-gels uit. Het ligt namelijk aan de basis van een congregatie van tientallen ursulinenkloosters, gericht op volksonderwijs, die overwegend maar niet exclusief in de landelijke regios van Vlaams-Brabant gelegen zijn, onder andere te Mollem (1832), Heikruis te Pepingen (1833), Zaventem (1834), Scherpenheuvel (1836), Laken (1844) en Ternat (1860).

    Bidprent uit 1938 om de zaligmaking van Joannes Lambertz te bekomen, naar een schilderij van Petrus Van Schendel (1828-1870) (JG)

    UITBOUW VAN EEN INTER NATIONAAL GERENOMMEERD PENSIONAAT

    Naast kosteloos lager onderwijs voor externen biedt de zustergemeenschap in de kostschool lager onderwijs aan. In 1868 opent er ook een zondagsschool voor dienstboden en meisjes uit het dorp die te oud zijn om tijdens de week naar school te komen. Zij krijgen onderricht in lezen, schrijven en christelijke leer. Na 1881 biedt het pensionaat ook algemeen vormend middelbaar onderwijs aan. Dit laatste omvat twee richtingen, de littraire en de scientifi-que, elk opgedeeld in les moyennes, een drie-jarige cyclus, en in een aanvullende twee- of driejarige cyclus cours suprieurs. De toelagen van de pensionnaires geven aan de instelling de armslag om te investeren in de uitbouw van de kostschool en in het kosteloos basisonder-wijs dat weliswaar en dit ook ruimtelijk apart en afgescheiden van het internaat wordt aangeboden. De onderwijsinstelling verwerft in de loop van de 19de eeuw een reputatie die leidt tot een internationale rekrutering, veelal van kinderen van diplomaten. Zijn er in 1844 nog maar 2 op 60 internen van buitenlandse

    herkomst, dan groeit dit aantal gestaag aan tot 30 op 136 in 1856 en tot 67 op 142 in 1910. De hoge vlucht van de instroom van Engelse kostschoolmeisjes situeert zich wel voorname-lijk na WOI. Niet toevallig draagt tijdens het interbellum n van de hotels in het dorp de naam Htel de Londres, gelegen in de huidige nummers 28-34 van de Dorpsstraat.

    Gedurende lange tijd blijft Frans de voertaal in de onderwijsinstelling. Pas in 1942 wordt een Nederlandstalige afdeling voor externen en internen gecreerd, de Middelbare Landelijke Huishoudschool. Dit houdt de erkenning in als technisch secundaire school met een volledige sociaal-technische afdeling en een lagere cy-clus Familiale Hulp met 4de finaliteitsjaar. De blijvende instroom van Engels(talig)e leerlin-gen neemt na WOII nog toe. Het instituut wint immers aan bekendheid in Engeland wegens de inrichting in de gebouwen van een Engels militair hospitaal kort na WOII. Dit leidt tot de oprichting van een internationale afdeling met Engels als voertaal, die vooral rekruteert onder dochters van Britse militairen die in Belgi ver-blijven.

    1

    Register van het pensionaat, eind 19de eeuw (AU)

  • 8 9

    Ze wordt opgeheven in 1977. Vanaf de jaren 1970 wordt ook het pensionaat dat in 1957 nog 365 internen en 102 half-internen telt, geleidelijk afgebouwd en definitief gesloten in 1977. Intussen krijgt de school in 1974 een eerste lekendirecteur. In de jaren 1980 schudt de school haar imago van huishoud-school van zich af. Naast TSO en BSO biedt ze, in de nieuwe VSO-structuur, ook alge-meen vormend onderwijs aan, waaronder Economie-Talen en Economie-Wiskunde. Heel de tijd blijft in een bijgebouw op de site de dorpsschool functioneren, die later de naam Pastoor Lambertzschool draagt en recent hernoemd is tot De Lambertzhoeve wegens een verhuis naar de gebouwen van de voorma-lige kloosterboerderij.

    KWALITATIEVE RUIMTE IN DIENST VAN EEN PEDAGOGISCH PROJECT

    In het pedagogisch project van de Tildonkse ursulinen staat uiteraard de religieuze, christe-lijke opvoeding centraal. Daarnaast besteden ze ruim aandacht aan de kennis van de Franse taal en cultuur, aan het onderricht in goede omgangsvormen, aan de verwerving van naai-, knip- en confectievaardigheden met verplicht handwerk, en facultatief aan de muzika-le, artistieke en huishoudelijke vorming. En dit alles in een gezonde landelijke omgeving on-der de vorm van een functioneel aangelegd en kunstig vormgegeven park- en groendomein.

    Zeker gezien de 19de-eeuwse industrialisering van de stedelijke ruimte en de contemporaine aandacht voor besmettelijke ziektes oefent een natuurlijke, hyginische omgeving een aantrek-kingskracht uit op het doelpubliek van de hogere maatschappelijke en kapitaalkrachtige kringen. In de Frans- en anderstalige prospectussen en in de advertenties in buitenlandse pers legt de instelling zowel in beeld als tekst dan ook de nadruk op haar aangename ligging, de goede lucht, de tui-nen, de gezonde en gevarieerde voeding (van de eigen boerderij), het kwalitatief lespakket (waar-onder talen), het onderricht in goede manieren en het aanbod aan nevenactiviteiten (tekenen, gymnastiek, ...).

    De pedagogische opzet van het instituut reflec-teert zich ook in de kwaliteitsvolle architectu-rale vormgeving en aankleding, in het gebruik van moderne materialen en toepassingen en in de functionele voorzieningen, waaronder de bad-, naai-, schilder-, piano- en feestzalen. Veelzeggend in dit licht is de aanwending van de art nouveau in de laat-19de- en vroeg-20ste-eeuwse uitbreidingen van het schoolcomplex (zuidvleugel met belvedre en feestzaal). Deze in katholieke middens vooruitstrevende keuze vindt haar bestaansreden in de wens van de ursulinen om tegemoet te komen aan de smaak-voorkeuren van de gegoede (buitenlandse) burgerij, om architecturaal uitdrukking te geven aan hun pedagogisch modernisme en om vanuit hyginische redenen voldoende lichtkwaliteit en luchtcirculatie te voorzien.

    Zo lezen we op de beginpagina van de schoolprospectus uit de Hollandse periode (1824-1830): Deze Stigting is merkwerdig door de ruymte van de wooning en de aengenaemdheyd der gelegenheyd. Opgeregt in eene van de gezondste plaetzen () zy is als een lustig en lugtig veld () groote hoven met vrugtboomen bezet, eene pleyn omringeld met mueren en eeniglyk dienende tot vermaek der jonge Jouffrouwen () en bezonderlyck de gezonde logt die men er schept ().

    Een prospectus uit 1885 verwoordt de onderwijsmissie van de Tildonkse ursulinen als volgt: Former des jeunes personnes foncirement vertueuses, habitues au tra-vail, lesprit dordre et dconomie, capables de se rendre utiles leurs parents et de bien remplir les devoirs des diverses positions sociales auxquelles elles seront appeles: leur donner une instruction solide, des manires aises et polies, tel est le but que les Ursulines se proposent.

    Prentbriefkaart met cricketspel in de tuin, na 1930 (JG) Prentbriefkaart met gezicht op naaiklas, na 1930 (JG)

    Prospectus van de kloosterschool uit 1885, druk Maison E. Duval et Sur, Bruxelles (JG)

  • 10 11

    Een eeuw architecturale ontplooiing 1821-1930

    Het hedendaagse gebouwencomplex is het resul-taat van een organisch uitbreidingsproces, ten ge-volge van de toename van het onderwijsaanbod en de aangroei van de leerlingenpopulatie en de kloostergemeenschap. Het gelaagde geheel ge-tuigt van stijlevoluties in de architecturale vorm-geving van kloosterschoolbouw. Het bezit on-danks zijn eclectisch karakter toch een bijzondere harmonie. Van de oorspronkelijke gebouwen blij-ven nauwelijks meer zichtbare sporen over, terwijl bouwarcheologische sporen en iconografische getuigenissen soms tegenstrijdige informatie ge-ven over hun evolutie, zeker wat de locatie en de heropbouw van de eerste kloosterkapel betreft.

    Alleszins blijkt dat 19de-eeuwse gravures vaak ten dele onvolledig zijn en dus onbetrouwbaar voor een exacte reconstructie van het bouwproces. Ze bieden daarentegen wel interessant materiaal over de manier waarop de kloosterlingen hun instituut aan de buitenwereld hebben willen voorstellen.

    NEOCLASSISIS TISCHE GRANDEUR (1821-1852)

    De eerste klooster- en schoolconstructie met kapel uit 1821-1822 is west-oost georinteerd en staat dwars op de Kruineikestraat ingeplant. In de nasleep van een overstroming in 1839 en de bijbehorende waterschade en vochtigheids-problemen, wordt ze in de vroege jaren 1860 grotendeels afgebroken omwille van redenen van hygine en comfort. In latere bouwfases is er dan ook steeds rekening gehouden met de hoge grondwaterstand, getuige de ten opzich-te van het straatniveau n meter verhoogde gelijkvloers rond de huidige binnentuin. Bij de afbraak is enkel een ruimte aan de westzijde van de oorspronkelijke vleugel gespaard. Zij vormt de verbinding tussen de huidige zuid-vleugel die in 1863 iets zuidelijker, parallel aan de oorspronkelijke constructie, is aangebracht, en de westvleugel uit de jaren 1850. Dit bouw-proces verklaart de kink aan de westelijke binnenzijde van de kloostertuin, daar waar

    de pandgang abrupt stopt. De oorspronkelijke kapel uit 1822-1825, die in het oostelijke ver-lengde van de eerste klooster- en schoolcon-structie ligt, blijft ook behouden. Ze ondergaat tussen 1852-1863 wel een neogotisch genspi-reerde verbouwing, met toevoeging van een voorportaal, zichtbaar in het verschil in vloeraf-werking tussen het marmer in de kapel en de keramieken tegels in het portaal.

    Voordien al, tussen 1839 en 1846, noopt de groeiende populatie van internen tot uit-

    breiding, inclusief losstaande boerderij- en wasserij gebouwen die in 1901 zullen wijken voor de verlenging van de zuidvleugel. In de eerste plaats komt er een L-vormig volume achter de kapel, waarvan enkel de zuidelijke helft als sacristie bewaard is en het noord-zuid georinteerde deel afgebroken. Belangrijker is de grondige, neoclassicistisch genspireerde uitbouw van twee bouwlagen aan de oost- en noordzijde. Dit leidt tot de creatie van twee binnenkoeren. En binnenhof is omringd door de kloostervertrekken, met aan de noordzijde een pandgang, met gebogen dak met planken in langrichting. Niet veel later, in 1852, krijgt de koer ook een westvleugel op de plaats van de oorspronkelijke tuinmuur, terwijl de pand-gang, met zadeldak met planken in dwars-richting, zowel aan west- als oostzijde wordt doorgetrokken. Het andere binnenhof, meer oostelijk gelegen, is een speelruimte met zit-

    Litho uit de prospectus van 1863, met gezicht op de zuidzijde met moestuin (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op zuidwestelijke hoek van de kloosterkoer, vr 1903 (JG)

    Chambrette in de noordvleugel (JG)

    Ets met gezicht op de noordzijde met siertuin, 1846-1850 (AU)

    2

  • 12 13

    De tweede verlenging van de noord-gevel

    De meer verticaal geaccentueerde en hoger uit-gewerkte bakstenen uitbreiding van de noord-gevel met een geleding volgens het schema van de Brugse travee vereist een bijkomende nood-uitgang. Dit is waarom ze culmineert in een tussen 1896 en 1899 zijdelings toegevoegde traptoren (Tour Sainte-Marie). Haar pirami-dale spits, met smeedijzeren topbekroning, en leien dak gaan elegant over in een trapgevel. In deze vleugel komt op de eerste verdieping de proclamatiezaal (Salle Sainte Marie), met par-ketvloer in visgraatmotief op een naaldhouten plankenvloer. Deze tot op heden vrijwel gaaf bewaarde ruimte onderscheidt zich door in de lambrisering ingewerkte openklapbare zitban-ken, siermoulures aan de bepleisterde wanden, muurlampen in gedreven koperwerk met kelk-motieven en hoge spitsboogvensters met in de koppen een opmerkelijk decor met houten tra-cering van uit cirkels bestaande bogen. In deze zaal, die refereert aan de kapittelzalen van abdijen waarin abt en monniken vergaderen, komen de internen samen voor het ochtend- en avondgebed, voor het aanhoren van de dag-mededelingen, voor de proclamaties en voor filmvoorstellingen. Op de tweede verdieping van deze vleugel ligt de zogenaamde dortoir Saint-Joseph, voorzien van een rondboognis met heiligenbeeld. Deze slaapzaal is genoemd naar de patroon van Belgi en van het onder-wijs, die nog in de kloosterkerk (zijaltaar) en in de siertuin (beeld) zijn opwachting maakt. Bei-de ruimtes doen heden dienst als refter. Ze zijn recent genspecteerd door Monumentenwacht Vlaams-Brabant met het oog op restauratie.

    In 1896 wordt er ook een nieuwe badzaal met rijkelijk gevarieerd tegelwerk ingericht in het oostelijke uiteinde van het gelijkvloers, met parallel langs de zuidgevel een aanbouw van een nlagige galerie des grandes lavabos. De badzaal bestaat uit 10 cabines, met binnen-wanden versierd met wit en blauw porselein,

    uitgerust met een gemailleerd gietijzeren bad, een marmeren tablet en een stoel. Een gedeel-te van deze zaal is bestemd voor een toiletruim-te en voor voetbaden, met drie rijen tobben in wit porselein van Maastricht. Na restauratie, met behoud van faience en binnenschrijnwerk, functioneert ze nog steeds als sanitaire ruimte.

    banken en speeltuigen voor de leerlingen. In de jaren 1850 wordt het volledig omsloten door de verlenging van de noordvleugel met een breder bouwvolume, zichtbaar in de verspringing in de nok van het dak, dat tot voorbij de kruising met het oostelijk binnenhof loopt. Daar bevindt zich onder meer een refter met volledig beglaasde gangwand. De uitbouw gaat ook gepaard met een verhoging van de bouwvolumes waarin slaapzalen met houten chambrettes tot 60 interne leerlingen huisvesten.

    Deze ingreep is bepalend voor het karakteris-tieke beeld van het gebouw. Wit bepleisterde, drie bouwlagen tellende volumes, met leien zadeldak en kleine driehoekige dakkapellen, vertonen een strakke gevelindeling van licht gebogen vensteropeningen en door driehoeki-ge frontons en rondboognissen bekroonde in-komdeuren aan de noordzijde. De oorspronke-lijke toegang tot het klooster onderscheidt zich door de voorliggende, hardstenen trappartij met ijzeren leuning, die tussen de spreekzalen, via de pandgang, aansloot op oorspronkelijk enige toegang tot de zuidvleugel, die verliep via het inkomportaal aan de kapel.

    Intussen is het hofgedeelte met ongeveer een derde verminderd door de aanleg van bouw-werken. Nadien, in twee bewegingen rond 1854 en in 1872, breiden de zusters de site

    uit met de aankoop van percelen (hooi)land, die, gelegen aan de noord- en oostzijde van het gebouw, zich uitstrekken tot aan de vaart Leuven-Rupel. Deze gronden vormen de later uitgewerkte siertuin.

    NEOGOTISCHE UITBREIDING EN RUIMTELIJKE FUNCTIEVERDELING (1852-1903)

    Een verandering in architecturale vormge-ving is zichtbaar in de gehelen die de zusters in de tweede helft van de 19de eeuw laten optrekken. Zo vertonen de binnengevels van de zuidvleugel uit 1863 neogotische kenmer-ken die zijn doorgetrokken over een deel van de oost- en westvleugels. Spitsboogvensters met doorlopende hardstenen druiplijsten op het gelijkvloers wisselen in de hoogte af met rechthoekige vensters in ondiepe gevelnissen (de zogenaamde Brugse travee). Deze stijlbe-nadering is eveneens bepalend voor de uitbrei-ding van de noordvleugel (1868), de dwars op de kloosterkoer heropgerichte kloosterkapel (1852-1863) en de meer uitbundig gedeco-reerde driebeukige kloosterkerk (1877) met aangrenzende klasvleugel (1880-1903) aan de zuidzijde.

    Prentbriefkaart met gezicht op zuidoostelijke hoek van de kloosterkoer, met portaal van kloosterkapel (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op verlengde noordgevel, met toren Sainte-Marie, na 1930 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de proclamatiezaal op een feestdag, na 1930 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op slaapzaal Saint-Joseph (JG)

  • 14 15

    koor doorbroken door een achtergrond van ge-schilderd imitatiedoekbehang met terugkerend Christusmonogram. Deze interieurafwerking is aangebracht bij een renovatie in 1905, waarbij ook enkele heiligenbeelden werden aangepast. Het Jozefbeeld uit de slaapzaal van de noord-vleugel vindt er vanaf dan aan de zuidzijde on-derdak, terwijl in de twee nissen in het koor de beelden van de heiligen Jozef en Johannes de Doper vervangen worden door die van de heiligen Ursula en Angela.

    Het voor de neogotische stijl typische maas-werk in de ramen komen we ook nog tegen in de doorgang tussen kapel en kerk, in de oost-gevel van de zuidgang. Op de tweede verdie-ping ligt er namelijk een spitsboograam dat als enige in het klooster voorzien is van gebrand-schilderd glas. Het toont een afbeelding van de verering van de zusters voor het Heilig Hart,

    een op de site vaak terugkerende religieus motief, zowel in de tuin als in de kerk.

    In de crypte onder het altaar van de kloos-terkapel bevindt zich ook nog een grafkelder, waarin 30 zusters begraven liggen uit de pe-riode 1834-1880, zowel werkzusters (surs) als onderwijzende zusters (mres). Voor zover bekend zijn de eerste zusters er in 1834 begra-ven. Naast de individuele begraafplaatsen, is er ook een massagraf met overledenen uit de pe-riode 1834-1852, zusters die eerder in de tuin begraven waren, maar waarvan de stoffelijke resten bij de uitbreiding van de gebouwen naar de crypte verplaatst werden. Onder hen de drie eerste oversten van het klooster. Na 1880 is het door de overheid verboden om nog in de grafkelders te begraven en krijgen de zusters een aparte begraafplaats op het kerkhof rond de parochiekerk.

    De kloosterkapel

    De puntgevel van de sober afgewerkte kloos-terkapel is opengewerkt met een spitsboog-deur en -vensters. Het venster op de verdieping is voorzien van een stenen versiering in geo-metrische patronen in het boogveld. Bovenaan in de top is het jaartal 1863 zichtbaar. Aan de noordzijde van de gevel staat een hoektoren waarvan de spits is vervangen door een plat dak. De nbeukige kapel met vierdelige ge-velindeling, omzoomd door een gedecoreerde houten lambrisering met zitbanken, mondt uit in een rechthoekig koor, voorzien van een met pinakels bekroond houten altaar uit 1855 en van nissen met heiligenbeelden. De ruim-te is gestructureerd door bundelpijlers die de kruisribgewelven opvangen tussen enerzijds de spitsboogvensters voorzien van grisaille brandglasramen aan de zuidzijde, en ander-zijds de spitsboogvormige blindnissen aan de noordzijde. De monochrome beschildering of, in de termen van een dagboekschrijvende zuster, la peinture toute virginale, is in het

    Plan van de vormgeving en inrichting van de ruimtes in de badzaal, rond 1896 (KADOC)

    Prentbriefkaart met gezicht op het interieur van de kloosterkapel, vr 1903 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op Heilig-Hartbeeld in siertuin, na 1930 (JG)

    Het brandende hart met de doornenkroon en het kruis symboliseert de opofferende liefde van Christus. De roman-tisch getinte, meer op het ge-voel gerichte devotie bereikt een hoogtepunt in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw, wanneer dit devotio-neel element in de katholieke sociale leer ingezet wordt om persoonlijke vroomheid met sociale actie in het teken van naastenliefde te stimuleren. Samen met de verering van Maria wiens deugden van zuiverheid, gehoorzaamheid en dienstbaarheid naadloos passen in het 19de-eeuwse beeld van de vrouw, schrijft de Heilig-Hartdevotie zich ook in in de toenmalige femi-niene vroomheid door de associatie met lijden, geduld en opoffering. Beide vereringen vinden een vruchtbare grond in zustercongregaties die de leerlingen van hun scholen en pensionaten ermee vertrouwd maken.

  • 16 17

    De kloosterkerk

    De in bakstenen opgetrokken driebeukige kloosterkerk met licht uitspringende dwars-beuk en afgerond koor vertoont een sobere buitenafwerking die doorloopt in de aan-grenzende klasvleugel. Desondanks maakt ze indruk, zowel door haar volumewerking als door haar interieurdecoratie die voltooid is in 1892. Ze is gelegen op de eerste verdieping, wat allerminst ongewoon was voor toenma-lige kerkruimtes in pensionaten. Haar breed met kruisribgewelven overkapt schip is door een dubbele rij van vijf zuilen met knop- en bladkapitelen gescheiden van twee smalle zijbeuken met bovenliggende galerij die be-reikbaar is vanaf het orgel. Een dubbel register van spitsboogvensters zorgt voor een rijkelijke lichtinval. Het hoogkoor dat verbonden is met sacristie en klooster, omvat centraal een hoofd-altaar, met onderaan een bas-relif met het Laatste Avondmaal en bovenaan een drieledig retabel met centraal een Heilig-Hartbeeld. De neogotische vormgeving weerspiegelt zich in het veelkleurige schilderwerk met goudkleuri-ge accenten, textielimitatie, tekstbanderollen en ornamentfriezen. De zijaltaren ter ere van Onze-Lieve-Vrouw en opnieuw Sint-Jozef zijn vergezeld van monumentale, torenvormi-ge reliekhouders en, aan de zuidzijde, van een pitabeeld op sokkel, omringd door symbolen van de passie en omkaderd door een gepoly-chromeerde, houten blindnis. Dit beeld van Maria met op haar schoot de dode Christus is geschonken door de familie Zielenbach uit Duitsland, waarvan 3 dochters kloosterzusters zijn te Tildonk. Ook het overige meubilair baadt in de neogotiek: de biechtstoelen, de meer dan gebruikelijk uitgewerkte kruisweg in eiken omlijsting, gaande van Jezus geboorte en de Aanbidding der Wijzen tot de Verrijzenis en de Hemelvaart, de communiebank uitgevoerd door houtsnijder Frans De Vriendt uit Borger-hout (1826-1919), en de omlopende, houten lambrisering met spitsboog- en pinakelmo-tieven. Typerend zijn eveneens de vloer van

    geverniste keramische tegels, de lichtarmatu-ren in gedraaid koperwerk in de spitsboogar-cade die de beuken scheidt, het orgelwerk van de hand van Charles Anneessens uit Geraards-bergen (1835-1903). De brandglasramen ten slotte zijn ontworpen door de Brugse glazenier Samuel Coucke (1833-1899). De zeven vensters in het koor stellen taferelen uit het leven van Maria voor. De twaalf glasramen van het schip, onderaan voorzien van de initialen van de schenkers, tonen een afwisseling van figuratie-ve voorstellingen en van geometrische velden met architectonische elementen als omlijsting voor medaillons met godsdienstige motieven. Aan de rechterzijde toont het tweede glasraam de monogrammen JHS en MA met daaronder de Heilige Harten van Jezus en Maria, gevolgd door een glasraam met het beeld van de Hei-lige Angela. De glasramen ter hoogte van de tribune zijn voorzien van eenvoudige grisailles.

    De verlenging van de zuidvleugel

    De verlenging van de zuidvleugel met meer-hoekige belvedre, deze laatste gerealiseerd circa 1901-1903 naar een ontwerp van de architecten Gell (uit Elsene) en Prmont (uit Brussel), verraadt al een meer moderne in-vloed. Die is zichtbaar in de rijkere gevelafwer-king door gebruik van hardsteen voor onder meer de dorpels, de plint, de hoekblokken rond de rechthoekige vensteropeningen en de cor-donlijst die onder de bovenste ramen uit het muurwerk springt. De functionele invulling van de aanbouw verklaart ook de verluchtingsroos-ters tussen de verdiepingsramen. De aanbouw huisvest immers zowel les- als slaapruim-tes voor de lagere en middelbare school. De petites vinden op het gelijkvloers hun vijf klaslokalen, een refter, een studie- en een recreatiezaal met piano. Op dit niveau bevindt zich ook nog de praktijkkeuken bestemd voor het huishoudonderricht. De grandes bevolken

    de 10 klassen op de 1ste verdieping, aangevuld met een naai-, muziek- en wetenschapsklas met fraaie vitrinekasten bestemd voor biolo-giemateriaal. De section moyenne kan op de 2de verdieping genieten van 6 klaslokalen, een studie- en een recreatiezaal beschilderd met landschappen van het Lago Maggiore en van de Middellandse Zee bij Bordighera in Itali.

    Prentbriefkaart met gezicht op de het schip en het oksaal van de kloosterkerk, na 1930 (JG)

    Foto van pitabeeld aan de zuidzijde van de kloosterkerk, 2015 (MVR)

    Foto van glasraam met de heiligen Augustinus en Carolus Borromeus in de kloosterkerk, 2015 (MVR)

    Foto van zuidvleugel met belvdre, 2016 (MOWA)

  • 19

    Voltooiing van het kloostercomplex

    Het bouwvolume tussen noordvleugel en kloosterkapel kent eind 19de eeuw ook een uitbreiding, met inname van de oorspron-kelijke speelplaats van de leerlingen. Hier komen in 1896 de missierefter en de kloos-terkeukens opgetrokken in een typische belle-epoquestijl, met opmerkelijk wit-blauw tegelwerk, afkomstig van La Louvire, en oranjebruin schrijnwerk. Boven deze ruimtes bevond zich de Heilig-Hartkapel, die aan de hand van een tussenplafond opgedeeld wordt in twee verdiepingen. Onderaan komen de drie kamers van de ziekenboeg, voorzien van verwarming op stoom dankzij een verbinding met de keuken. Op de nieuw gecreerde twee-de verdieping liggen vanaf dan de slaapruim-te Saint-Spulcre en de zogenaamde kapel van de congreganisten (nadien ook de Kapel van de kinderen van Maria genaamd). Deze ruimte vertoont een eclectische decoratie, met vermenging van barok- en rococo-elementen, zichtbaar in de met goudaccenten en sjablonen beschilderde wanden en zolderingen, en bij-passend meubilair, zoals bidstoelen, kaarsen-kronen en wandarmaturen. De kapel is voor-zien van stucwerk, onder andere consoles met engelenfiguren aan de aanzet van de gewelven in pleisterwerk op een houten keperstructuur. De inname van de binnenspeelkoer vormt het sluitstuk van de uitbouw van het kloostercom-plex rond de binnentuin.

    Op de drie hoogste verdiepingen komen er slaapzalen, met op de derde verdieping ook nog een schilderzaal en op de vierde een salle de lingerie en enkele logeerkamers.

    Op de zolderverdieping onder het nu verdwe-nen puntdak van de kerk richten de zusters een museum in. Het bevat collecties van fauna en flora van Congo en Engels-Indi, herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog, wetenschappe-lijke apparatuur en een collectie exotische vogels. De belvedre doet eveneens dienst als watertoren. Door het daar gelegen reservoir beschikt het instituut over stromend water op alle verdiepingen.

    Aan het oostelijke uiteinde integreert men tot op heden goed bewaarde toiletruimte met en-filade van geverniste deuren onder een plafond van troggewelven.

    Prentbriefkaart met gezicht op de refter van de kleintjes, vr 1908 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de praktijkkeuken in de zuid-vleugel (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de congreganistenkapel, na 1930 (JG)Prentbriefkaart met gezicht op de kloosterkeuken (JG)

    Foto van console met engelenfiguur in de congreganistenkapel, 2015 (MVR)

    In een lokaaltje in de belvedre bevindt zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouw in de kogelkrans. Op miraculeuze wijze ontsnapt dit beeldje aan een kogelregen, zichtbaar in de doorzeefde muurwand, een gevolg van beschietingen door Belgische troepen eind september 1914 vanaf de overkant van de vaart.

    Prentbriefkaart van het mirakelbeeld Onze-Lieve-Vrouw in den Kogelkrans, 1915 (JG)

    18

  • 20 21

    De dorpsschool

    Nog twee neogotisch genspireerde structuren dateren uit de late 19de eeuw. Ten eerste de van het complex losstaande en architecturaal minder prestigieuze lagere school die bestemd is voor de dorpsjeugd en los van het internaat functioneert. Ze wordt op de locatie van de eerste moestuin van de school, tussen zuid-vleugel en Kouterstraat, gebouwd. Het is een rechthoekig bakstenen volume van n bouw-laag onder leien zadeldak, in de zuidwesthoek geflankeerd door een polygonale traptoren on-der een piramidale spits. Karakteristiek is het decoratief materiaalgebruik waarbij het rood bakstenen parement wordt verlevendigd door het gebruik van zwarte baksteen voor plint, kroonlijst en omlopende muurbanden rond de bovenlichten.

    Direct aansluitend op de toegang bevindt zich de brede klasgang met pseudotongewelf op gordelbogen, hardstenen tegelvloer en geel-zwarte tegellambrisering. Wandhoge, beglaasde rondboogdeuren met spitsboog-versiering op het bovenlicht leiden naar de klaslokalen. Typerend voor de onderwijsfunc-tie zijn de verluchtingsroosters onder en boven de klasramen. In de jaren 1924-1927 worden enkele annexen aan de oostzijde bijgebouwd, waarvan de eerste aanzet zichtbaar is op het mutatieplan van het kadaster uit 1924.

    Prentbriefkaart van een slaapzaal in de noordvleugel (JG) Prentbriefkaart met gezicht op de dorpsschool en het koor van de kloosterkerk, vr 1903 (JG)

    Foto van de voorgevel en de traptoren van de dorpsschool, 2015 (MVR)

    Prentbriefkaart van de pandgang met spreekzalen in de noordvleugel (JG)

    Het geheel heeft rond 1900 de volgende func-tionele indeling. Het gelijkvloers bestaat in de noord- en westvleugel uit een opeenvolging aan spreekzalen, de galerie des parloirs, in de zuidvleugel (van west naar oost) uit de bibliotheek (na 1905 garderobe), recreatie- of kapittelzaal en refter van de zusters, en in de oostvleugel uit de missierefter, met ten oosten afwaskeuken, warme en koude keuken en ref-ter van het keukenpersoneel, en uit de kloos-terkapel met achterliggende sacristie.

    Dit geheel is onderkelderd met onder de zuid-vleugel een brood- en kolenkelder, onder de westvleugel een fruit-, boter- en vleeskelder, onder de noordvleugel een bier- en melkkelder, en onder de oostvleugel een wijnkelder.

    Op de eerste verdieping liggen de slaapzalen en de infirmerie van de zusters in de zuidvleu-gel, de ziekenboeg in de oostvleugel met een gebedsruimte voor de zusters tussen kapel en kerk, en de slaapzalen voor internen in de west- en noordvleugels.

    Op de tweede verdieping vinden we nog slaapzalen in de zuid-, west- en noordvleugels, terwijl de oostvleugel de congreganistenkapel herbergt.

    De derde verdieping huisvest in de zuidvleugel nog slaapzalen en een gemeenschappelijke was- en kleedkamer voor de zusters, terwijl in de oostvleugel nog slaapzalen liggen.

  • 22 23

    De kloosterboerderij

    Stilistisch sluit de U-vormige bakstenen boerderij-vleugel die zich uitstrekt langs de in zuidwestelijke richting verschoven Kouterstraat, nauw aan bij de basisschool. Het karakteristieke kleurcontrast tus-sen rode en zwarte baksteen in combinatie met de formele afwisseling van opgaande dakvensters met trapgevel en eenvoudige dakkapellen resul-teert in een bijzonder ensemble. Hier draagt ook de gevelordonnantie met een variatie aan friezen toe bij. De binnenkoer is langs de straatzijde afge-sloten door het lage, rechthoekige volume van het wagenhuis of koetsenblok. De aanbouw van de boerderij is een getuige van het streven naar een autonome voedselvoorziening en naar een prak-tijkgericht onderwijs van de klooster- en schoo-linstelling. Ze omvat, naast koe-, paarden- en varkensstallen, een koetshuis met wolplukplaats, metserskot en slachtplaats, een smidse, een bak-kerij, een wasserij met droogzolder, een strijka-telier, een schrijnwerkerij, een groentekuiserij en een fruitzolder.

    De uitrusting van de hoeve rond de eeuwwisse-ling getuigt van een technisch vooruitstrevend concept. In de chaudire staan immers drie stoomketels van elk 30 PK. Die zorgen enerzijds voor mechanische aandrijving van verschillende toestellen, zoals een droogcilinder in de was-plaats en een grote houten strijkrol of mangel in de repasserie, en anderzijds voor warm water in de wasplaats en verwarmde lucht in de droog-kast in het strijkatelier. Deze stoomdroogkast bestaat uit 10 droogrekwagentjes die in de kast gerold kunnen worden via een rail. Tegen de jaren 1900 wekken de zusters er ook elektriciteit op, die via de verbindingsgang tussen boerderij en zuidvleugel langs witte porseleinen geleiders naar de schoolsite getransporteerd wordt. Bovendien installeren ze een tweedehandsgoederenlift uit 1860 tussen strijkruimte en droogzolder. Ten slot-te is de bakkerij volwaardig uitgerust met een me-chanisch aangedreven bakkerstrog om het deeg te kneden, en met een bakstenen oven in twee verdiepingen (onderaan voor brood, bovenaan voor taart en koeken), inclusief achterruimte om het brood te laten rijzen of fruit te laten drogen.

    VORMGEVING VAN EEN MILIEU DE BEAUT IN ART NOUVEAU (1903-1920)

    De uitbreidingen uit het begin van de 20ste eeuw vertonen op hun beurt elementen en technieken eigen aan de art nouveau. In 1903-1904 komt tussen de noord- en zuidvleugel op een ruimte van 600m een feestzaal tot stand. De driebeukige, afgeknotte hal dient voor muziekopvoeringen, toneeluitvoeringen en feesten, ter ondersteuning van de artistieke en creatieve ontwikkeling van de internen. De feestzaal is voorzien van een parketvloer in vis-graatmotief en van een zittribune in pitch pine met houten banken, bestaand uit een gietijze-ren onderstel met pitch pine beplanking en een afsluiting in dennenhout met eikenimitatie.

    Naar plannen van de Brusselse architect Pr-mont, mogelijk in samenwerking met Gell uit Elsene, steunt de metalen spantstructuur, afkomstig uit de ateliers Devroye uit Brussel, op een dubbele rij stalen kolommen vormge-geven als ranke stengels, met ornamenten in smeedijzer. De deels beglaasde en deels be-plankte dakkap van het plafond, met motief

    in centraal gedeelte, is opgebouwd uit vier koepelvormige raamgehelen, vervat in een metalen draagstructuur, en twee schuine de-len plafondbeglazing. Ze bestaat uit lichtblauw getint glas, langs de randen versierd met ab-stracte bloemmotieven, waarvan een deel is verloren gegaan en vervangen door blank, gestructureerd glas, net als bij de florale boord op het gelijkvloers van de verticale glaswand. Langs drie zijden is de dakstructuur gedragen door de wanden van de bestaande vleugels. Een dwarsgeplaatste galerij met ijzeren ba-lustrade loopt parallel aan de in een stalen structuur gevatte beglaasde buitenwand van zes raamgehelen. Die zijn voorzien van glas in lood met geometrische en geabstraheerde ve-getale motieven in paarse, gele en lichtblauwe tinten, van de hand van de Brusselse glazenier Raphal Evaldre (1862-1839), die ook voor Horta werkt en ondermeer uitvoerder is van het glasraam in het hotel Saintenoy in Brussel. Zijn creaties kenmerken zich door de weinig naturalistische aard van de vegetale motieven en door het decoratief belang van de glasuit-snijding en het loodpatroon.

    Prentbriefkaart met gezicht op stookkamer in de klooster-boerderij, vr 1908 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de bakkerij in de klooster-boerderij, vr 1908 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de wasplaats in de klooster-boerderij, vr 1908 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de strijkzaal in de klooster-boerderij, vr 1908 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de noordzijde van de feestzaal, met zittribune, na 1930 (JG)

  • 24 25

    De decoratieve elementen maken de feestzaal die ook uitgerust is met gietijzeren radiatoren (vervangen in 1992 door warmeluchtblazers) en twee kroonluchters (heden verdwenen), tot een uniek en stilistisch progressief ensem-ble. Hiervoor zorgen enerzijds de lambrisering met tegels in groen- en oranjetinten. Afkomstig uit het atelier van Villeroy & Boch te Mettlach (Duitsland) zijn ze versierd met onder andere ontluikende en open lotusbloemen. De faience vertoont eigenschappen die typerend zijn voor de art-nouveau-ontwerpen. Hiervan getuigen het gebruik van het zogenaamd stengelmotief, met ter weerszijden van de verticale voeg een lijnornament dat tot doel heeft de tegelvoegen minder zichtbaar te maken, en de afwisseling in de florale decoraties tussen verticale stengels en een horizontaal doorlopend fries met motief van bloemen.

    Anderzijds zijn de muren versierd door de Vilvoordse kunstschilder-decorateur Augustin Giraudo volgens de decoratieve techniek van de sgraffito, herontdekt in Belgi vanaf de jaren 1880. Deze techniek behelst het krassen in op

    elkaar aangebrachte gekleurde pleisterlagen zodoende tekeningen in verschillende kleuren te doen verschijnen. In de wandversieringen overheerst de dynamische lijnvoering van plant- en bloemmotieven die een kader vormen voor stichtende symbolische elementen betreffende kerk, vaderland en familiale deugden. Naast de centrale positie van het kruis aan de zuid-zijde zien we links een pauselijk symbool en het begrip piete (trouw), rechts de gekroonde Belgische leeuw en het begrip devoir (plicht). Op de muur aan de overzijde zijn de begrippen famille, patrie en religion aangebracht, ter-wijl op de westgevel volgende deugden staan

    vermeld: foi, esprance, charit, prudence, justice, force en temprance.

    De passerelle aan de oostzijde staat via deuren met getste beglazing in verbinding, enerzijds met de monumentale houten bordestrap met slanke baluster in de noordvleugel, en ander-zijds met de klasruimtes in de zuidvleugel. Aan die zijde is de wand getooid met eerst een beeld van een beschermengel en nadien met een gipsen, polychroom O.-L.-V.-beeld. De achtergrondversiering van pleisterwerk met daarop een verlijmd doek met een imitatie-schildering bestaande uit dezelfde polychrome motieven als in de hoofdbeuk, is bij restauratie-werken in 1982 overschilderd.

    De art-nouveaubenadering vindt nog op an-dere plaatsen een toepassing. Tussen kerk en kapel wordt een nu verdwenen bloemenserre geplaatst, in de pandgang een nog bewaarde beglaasde ijzeren binnendeur in getst glas met de afbeelding van een onderwijzende zuster (1903) en boven de inkomdeur een nu verdwenen gietijzeren luifel. In de zuidvleugel verschijnen decoratieve vloer- en wandtegels in de gangen, alsook per klas een dubbele

    paneeldeur met getste beglazing met gesti-leerde plant- en bloemmotieven.

    Foto van de art nouveau-feestzaal met detail, 2015 (MVR)

    Foto van een tegel met lo-tusbloemmo-tief uit de lam-brisering van de feestzaal, 2015 (MVR)

    Foto van een gang in de zuidvleugel, 2015 (MVR)

    Dit geheel past in de idee van de school als milieu de beaut, dat rond de eeuwwisseling zijn opgang maakt. Dit idee steunt op de overtuiging dat een pedagogisch en esthetisch verantwoorde omgeving een gevoel voor schoonheid en moraliteit stimuleert bij hen die er dagdagelijks in verblijven. Zo bevinden zich religieuze en stichtende spreuken op de muren van onderwijslokalen, zoals in de naaiklas waar op de rondboog boven een nis met een Heilig Hartbeeld volgende tekst stond: Notre cur qui a tant aim les hommes.

    Prentbriefkaart met gezicht op de naaiklas met Heilig-Hartbeeld (JG)

  • 26 27

    In 1924 breidt de westvleugel nog uit in zui-delijke richting, door de aanbouw, parallel aan de Kruineikestraat, van het noviciaat, dat lange tijd in Haacht gelegen was. Het bestaat uit een volume van twee bouwlagen, met slaapzalen op de verdieping, van de hand van architect Emile Poplemon uit Mechelen. De art-deco- inspiratie vertaalt zich in de bouwmaterialen, namelijk gewapend beton voor de vloer- en dakplanken, en terrazzo (cementgebonden marmermozaek) voor de vloerafwerking.

    In 1928 gaat het zadeldak van de klooster-kerk met spits torentje en de aangrenzende klasvleugel, op het overwelfde gelijkvloers na, in de vlammen op. De 1ste tot en met de 4de verdieping zijn heropgebouwd, in tegenstelling tot de 5de verdieping en het zadeldak, inclusief het dak van de belvedre, die vervangen zijn door een platte structuur bestaande uit een dakplaat in beton en, op de belvedre, uit een betonnen ringbalk en baksteenmetselwerk. In de kloosterkerk wordt de neogotische in-gangspoort aan de oostzijde vervangen door een rechthoekige houten tweeslagsdeur, al is de originele boogvorm aan de binnenzijde nog herkenbaar.

    EPILOOG IN ART DECO (1920-1930)

    De meest recente uitbreidingen uit de jaren 1920-1930 ten slotte zijn benvloed door de art-decostijl. De zuidoostelijke aanbouw aan het boerderijcomplex is, met gebruik van be-ton voor dorpels en kroonlijst, in baksteen opgetrokken, naar een ontwerp van archi-tect Alphonse Denef uit Wespelaar. Het twee bouwlagen tellende gebouw heeft een sterk horizontaliserend effect, mede door de raster-vormige gevelgeleding en de vlakke afdekking. Nog typerend voor de art deco genspireerde aanpak zijn de gekoppelde, vaak onder n la-tei samengetrokken rechthoekige vensterope-ningen, de stompe spitsbogen, type Tudor, in de ramen en deuren van de verbindingsgang met de zuidvleugel, en de gecurveerde afron-ding van de kopgevel van de pianoklas (heden turnzaal). Ook hier is gebruik gemaakt van een veelkleurige tegellambrisering, in combinatie met een granitovloer.

    Prentbriefkaart met gezicht op belvdre en art deco-verbindingsgang, na 1930 (JG)

    Foto van zuidvleugel en belvdre na de kloosterbrand van 1928 (JG)

    Luchtfoto van de kloosterschoolsite na de restauratie na de brand van 1928 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op een zaal in het noviciaat, na 1924 (JG)

  • 28 29

    Religieus-didactische en functionele park- en tuinaanleg

    Een complementariteit tussen aanleg en deco-ratie is ook aanwezig in de uitwerking van het vr 1902 volledig ommuurde kloosterdomein. Het omvat een recreatief gedeelte met siertuin en een nutsgedeelte met moestuin, serres en boomgaard, dat zowel voor pedagogische doeleinden als voor voedselwinning ingezet wordt.

    Zoals blijkt uit prenten en tekeningen uit het midden van de 19de eeuw, is het domein in die periode op traditionele wijze aangelegd in rechthoekige blokken. De siertuin die grenst aan de hoofdgevel aan de noord(west)zijde is van de straatkant afgescheiden door een schuin hek, in 1855 vervangen door een paral-lel lopend smeedijzeren exemplaar. Ze bestaat uit paden tussen met heesters getooide gras-parterres en uit een prieeltje van rozenstruiken (later gesnoeide taxus). De nutstuin aan de zuidzijde tussen kapelvleugel en Kouterstraat omvat een eveneens door paden doorsneden patroon van rechthoekige moestuintjes. Na de verbouwingen van de jaren 1850 wordt er aan de oostzijde, naast de buiten het complex verplaatste recreatieruimte waarvan de ijzeren draaimolen uit 1880 nog getuigt, een ommuur-de moestuin aangelegd met aanplantingen voor fruitwinning, waaronder appelbomen. De inname van groenruimte door de schooluitbrei-dingen vanaf de jaren 1860 doet de moestui-nen met zaaibedden, kruiden, serres en boom-gaard zo goed als volledig naar de oostzijde verhuizen. Daar dienen ze als didactische ver-zameling voor de school en als proeftuin voor de boerderij. Een relict hiervan is de bewaarde bloemenserre, een beglaasde kweekkas met smeedijzeren nokbekroning, daterend van cir-ca 1900. Ze laat toe om bloemen uit streken met vorstvrij klimaat te telen. Dit verklaart de aanwezigheid van een verwarmingssysteem dat via convectie kolengestookt warm water in leidingen door de serre doet circuleren.

    De stilistische vernieuwingen zichtbaar in het gebouwencomplex doen vanaf de laatste twee decennia van de 19de eeuw ook hun intrede in de lusttuin. Die wordt als jardin anglais heraangelegd in een hybride landschappelijke stijl, met kenmerken van de vegetale gotiek. Gebogen lijnen doen hun intrede, zichtbaar in kronkelpaden, gelobde bloemenparterres en heuveltjes, gecombineerd met een uitdunning van hoogstammen en uitbreiding met sier-heersters. Daarnaast brengen enkele bomenrij-en en lanen structuur aan, bijvoorbeeld in de aflijning van de toegangsweg aan de hoofdge-vel. Die gaat over in een lindenlaan waarvan de naar elkaar toe gesnoeide bomen de indruk van een gotisch kerkschip bieden. De herschikking gaat gepaard met de toevoeging van een door een treurwilg overschaduwde vijver, oorspron-kelijk met rotsblokken en een smeedijzeren hekwerk afgezet, en een achthoekig rustiek paviljoen met open lantaarn, gestut door ont-schorste boomstammen. Dit laatste functio-neerde als prieel voor ontmoetingen met (man-nelijke) verwanten en familieleden. Het aantal oude bomen is vrij beperkt, op enkele platanen en bruinen beuken na. De rest van de bomen dateert vermoedelijk van na 1900.

    Ets met gezicht op de noordzijde met siertuin, vr de aanleg van een jardin anglais, 1846-1850 (AU)

    Prentbriefkaart van de lindenlaan tussen hoofdgevel en calvarieberg, na 1930 (JG)

    Prentbriefkaart van de ijzeren draaimolen uit 1880 op de koer tussen schoolgebouwen en boomgaard (JG)

    Ets met gezicht op de zuidzijde met nutstuin tussen kapel-vleugel en Kouterstraat, 1846-1850 (AU)

    3

  • 30 31

    De religieus-didactische opzet van de school vindt in de tuin een vertaling door de symbiose tussen aanlegstructuur en aanwezigheid van religieus meubilair dat voornamelijk aange-bracht is tussen 1902 en 1924. De belangrijk-ste zichtas, vertrekkend van het gekasseid pad aan de noordgevel, leidt tot een Heilig-Hart-beeld, vlakbij de tuinberging aan de ommu-ring, met tussen beide in de originele grafsteen van de stichter Johannes Lambertz. Parallel daaraan ligt de lindelaan die uitmondt in een calvarieberg, een evocatie van Golgotha. Dit beeldhouwwerk van zandsteenknollen met gietijzeren, witgeschilderde beelden, omvat een Christus aan het kruis, met links Maria en rechts Johannes. De aanwezigheid van een cal-varie vindt men ook terug in andere klooster-pensionaatsdomeinen, zoals bij de ursulinen te Sint-Katelijne-Waver. Ze sluit aan bij de popu-lariteit van de identiteitsvormende kracht van de figuur van de lijdende Christus in religieuze milieus tijdens de 19de eeuw. De centraal in de tuin gepositioneerde Lourdesgrot is evenmin een unicum in religieuze tuinaanleg. Al in 1877 wordt op de speelplaats van de kostschool van de zusters ursulinen in Heikruis (Pepingen) een kleine grot gebouwd. Dit element getuigt van het belang van de Mariaverering, in nasleep van de verschijningen in 1858 te Lourdes. Ver-spreid over het domein staan nog religieuze beelden: Sint-Jozef, patroon van Belgi en van het onderwijs, een Engelbewaarder, een Onze-Lieve-Vrouw-van-Bijstand, Sint-Angela nabij de vijver en Sint-Anna met Maria in de noordoost-hoek bij de tuinmuur. Aan de noordzijde van de tuinmuur staat een kleine Sint-Jozefkapel in wiens nis het oorspronkelijke Sint-Jozefbeeld verdwenen is.

    Achteraan tegen de oostelijke afsluitmuur bevindt zich een bakstenen kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten in eclectische stijl met neoclassisstische en neoromaanse inslag, zichtbaar in de getrapte sokkel en het timpaan enerzijds en het halfronde deurportaal en kolommen anderzijds. Opgericht in 1903 dankzij giften van de Tildonkenaren, is het

    interieur lichtblauw geschilderd, met sterren in goud en rozenkransen die zich vanuit de gewelfhoeken verweven tot een M. Ook in de vloer- en wandbetegeling zit het monogram M verwerkt. Een polychroom gipsen pita-beeld siert het altaar. In de tuinmuur langs de Kouterstraat is aan de buitenzijde nog een kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van het Heilig Hart ingewerkt.

    De tuin vormt elk jaar het decor voor een pro-cessie die de internen voert van het klooster over de Mariakapel tot aan de Lourdesgrot.

    Het ursulinenklooster tijdens WOI en WOIITijdens WOI blijft het klooster- en school-complex gevrijwaard van zware vernielin-gen. De eerste oorlogservaringen, begin augustus 1914, bestaan uit opeisingen door de Belgische overheid van paarden, wagens, matrassen en dekens, uit de be-voorrading van militaire verkenners en uit het overhaaste vertrek van internen naar veiliger binnen- of buitenlandse oorden. Belgische officieren willen de zusters van Duitse nationaliteit wegzenden, maar de algemeen overste en directeur stellen zich borg voor hen. Voorafgaand aan de Duitse bezetting, dient het klooster (net als het noviciaatsgebouw in Haacht) als verpleegpost. Er vindt ook een inkwartie-ring van soldaten plaats, die de brug van Tildonk bewaken of deelnemen aan de gevechten aan de Getelinie. Volgens hun dagboek, zijn de ursulinenzusters vooral onder de indruk van de op de boerderijkoer gestalde mitrailleurs, waar-van de geleiders, 37 grote honden, ondergebracht zijn in de aangrenzende stal-lingen. Nadien gaat de opvang van vluchtelingen er gepaard met huisbezoeken en (voedsel-)opeisingen door de Duitse troepen.

    Prentbriefkaart van de Lourdesgrot in de siertuin van de kloosterschool, na 1930 (JG)

    Prentbriefkaart met gezicht op de boomgaard aan de oostzijde voor 1903 (JG)

    Foto van koets met os voor de noordvleugel van het ursulinenklooster, 1918 (JG)

    Prentbriefkaart van de kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten aan de oostelijke afsluitmuur van de tuin (JG)

  • 32 33

    Bij een eerste kort verblijf verzekert de Duitse generaal von Beseler in een schriftelijk bevel dat de keizerlijke legers het pensionaat moeten respecteren en de reli-gieuzen beschermen. Het pensionaat doet vanaf dan dienst als veldhospitaal, dat gelegen is in het meest recente deel van de zuidvleugel, en als verblijfplaats voor officieren.

    Bij de Eerste Uitval uit Antwerpen (25-26 augustus), gericht tegen de Duitse stellingenlijn Merchtem-Leu-ven-Aarschot, opent het Belgische leger vanuit Haacht het vuur op een vijandelijk bataljon, gelegen aan de vaartovergang te Tildonk, en artilleriecompagnie, op-gesteld nabij de kerk van Tildonk. Bij deze beschietin-gen treffen kogels de voorgevel van het klooster. Na de slag van Schiplaken van 25 en 26 augustus evacueren de Belgen tegen de middag het dorp van Haacht en plooien zich terug op Keerbergen. Bij de Tweede Uitval (9-13 september) keert het Belgische leger terug tot in Haacht en stelt zijn kanonnen op niet ver van het klooster. Dit vormt ditmaal ook effectief een mikpunt voor de Belgische troepen, gezien er vijandelijke kanonnen achter verscho-len liggen. Gedurende drie dagen wordt er fel gevochten en moeten de zusters zich verschuilen in de aardappelkelder. Ruiten en deuren sneuvelen en obussen, kogels en granaten doorboren de noord- en westzijde van de zuidvleugel. Gesneuvelden worden begraven in het kloosterpark.

    Ook het noviciaat te Haacht blijft niet gespaard. Vooral de kapel is zwaar beschadigd. Bij het vernemen van dit nieuws op 14 september trekt een delegatie ursulinenzusters onder leiding van de algemene overste en be-geleid door Duitse soldaten naar Haacht. Het wordt een tocht dwars door het slagveld en een confrontatie met de oorlogsravage. Bij de brug van Tildonk over het kanaal zijn de meeste huizen vernield en resten er slechts runes en zwartgeblakerde muren. Alle bewoners zijn verdwenen; het is er een mierennest van paarden en Duitse militairen. Verder ontmoeten ze op de weg naar Haacht vertrappelde oogsten, pas aangelegde graven, primi-tieve loopgrachten en paardenkadavers en stellen ze vast dat de kerk van Wespelaar is ingenomen als paardenstal.

    Ondanks het vertrek van Duitse en Belgische gewonden naar Brussel en

    de verwijdering van de Rode Kruisvlaggen, blijft het klooster nadien de rol van veldhospitaal vervullen en neemt het ook vluchtelingen op. De zusters merken onverholen afwijzend op dat de medische compagnie van het ex-ternaat [het dorpsschooltje] een luxueus hotel heeft gemaakt ten koste van de dorpelingen die op de vlucht zijn. () Iedere avond is er een concert dat wij gratis bijwonen, van verre welteverstaan. Op 27 september neemt de Generale Staf onder leiding van von Beseler, belast met het beleg van Antwerpen, haar intrek en vestigt haar hoofdbureau in de Sint-Annazaal, aan het westelijk uiteinde van witte zuidelijke langsgevel van het klooster. Zalen en klassen veranderen in telefooncentrale, voorraadkamer, bureau en drukkerij. Het is namelijk vanuit het klooster dat de Duitsers vlugschrif-ten, bestemd voor de Belgische rangen, verspreiden. Begin oktober 1914, tijdens het beleg van Antwerpen, komt er hoog bezoek naar Tildonk: voor-noemde von Beseler, von Moltke, Duits opperbevelhebber, en baron von der Goltz, gouverneur-generaal van Belgi, onderhandelen er over de overgave van Antwerpen met Belgische (burgerlijke) autoriteiten, bestaande uit Jan De Vos, burgemeester van Antwerpen, Louis Franck, senator en Alphonse Ryckmans. Op 10 oktober wordt de val van Antwerpen formeel bezegeld

    in de Mariazaal, door de overgave van degens door Belgische bevelhebbers. Dit luidt het vertrek van de Generale Staf in, die zich, volgens de aantekeningen in het dagboek van de ursu-linen, steeds tegenover ons correct gedragen heeft, zich erkentelijk toont voor de gastvrijheid, de kloosterge-meenschap ontslaat van het herbergen van Duitse troe-pen en de verblijfskosten in klinkende munt betaalt.

    Begin november 1914 heropent het externaat, een klein jaar later het pen-sionaat. In het begin telt men slechts 22 internen, een aantal dat gestaag aangroeit (30 in augustus 1916, 40 50 in oktober 1916, 60 in oktober 1917 en bijna 100 in september 1918). Ondanks de herhaaldelijke opeisingen van paarden, koper en wol, kunnen de religieuzen gedurende de bezetting

    Prentbriefkaart van de oorlogsschade aan de feestzaal na het bombardement van 12 september 1914 (JG)

    Foto van de oorlogsboekhouding van de Tildonkse kloosterzusters in het Belevings-centrum 14-18, 2014 (LL)

  • 34 35

    Restauratie en herbestemmingNa hun terugtrekking uit het onderwijs in 2006, verlaten de laatste acht zusters eind 2007 het klooster in Tildonk. Vanuit het moederhuis van de Belgische ursulinen gaan ze naar de rusthuizen van de congregatie in Scherpenheu-vel-Zichem en Melsbroek. Een nieuwe bestem-ming voor de kloostersite en de siertuin dringt zich op, terwijl de gebouwen, ook die van de school, dringend aan restauratie toe zijn.

    SOCIALE CAMPUS, HORECA EN SAMENTUIN

    In 2011 komt het kloostercomplex met grond en aanhorigheden in handen van Immo Kwaliteitsfonds, een vzw van Ons (vroeger Groep KVLV). Het voormalige klooster is met steun van de provincie Vlaams-Brabant omge-vormd tot een sociale campus, naar ontwerp van a33 architecten (Leuven), i.s.m. Koplamp architecten (Roeselare), onder de nieuwe naam Engelenburcht. Deze naam verwijst enerzijds naar de patroon van het instituut, Sint-Angela, en anderzijds naar het gesloten voorkomen van het gebouw net als de Engelenburcht in Rome. Organisaties uit de sociale, toeristische en cul-turele sector vinden er onderdak.

    Na de herstelling van gevels en daken hebben de restauratiewerkzaamheden tussen novem-ber 2012 en maart 2015 voornamelijk tot doel om het gebouwencomplex geschikt te maken voor de nieuwe gebruikers en bezoekers. De uitdaging bestaat erin de functionele reconver-sie optimaal af te stemmen op de ruimtelijke kenmerken en kwaliteiten van het gebouw.

    De centrale as van de ontsluiting vormt de gang van de zuidvleugel, die toegang biedt tot de monumentale en publieksgerichte ruimtes. Hiervoor is een nieuwe ingang aan de Kruinei-kestraat gecreerd, waardoor het gebouw zich via een glazen doos opent naar de bescherm-de dorpskern en tegelijkertijd de historische

    inkom aan de parkzijde in originele staat behouden blijft. Vereisten op vlak van toe-gankelijkheid nopen tot de integratie van een betonnen trap en lift nabij de nieuwe ingang, die leiden naar de meer besloten vergader- en kantoorruimtes op de verdiepingen. Ten slotte is een nieuwe toegang tot de kloosterkerk ge-realiseerd, gezien de bestaande inkom vanuit het schoolcomplex van de zuidvleugel voor de nieuwe gebruikers niet bruikbaar is. Hiervoor is eerst de gang van de zuidvleugel doorge-trokken over de kapelkoer, de zogenaamde zen-tuin (met bodembekkende beplanting en compacte massieven van taxussen en ilexen) tussen kerk en kapel. Dit is gebeurd aan de hand van een overkapte glazen pandgang, met dragende kolommen die teruggetrokken ten opzichte van de buitenwand zijn ingebracht,

    Zoals op dit plan uit begin 1945 te zien is, is de kloosterkeuken bestemd voor de bereiding van de maaltijden van de officieren die deze nuttigen in de spreekzalen (KADOC)

    Foto van de tot brasserie herbestemde kloosterkapel, 2015 (ONS)

    Foto van de zen-tuin tussen kloosterkapel en -klooster, met overkapte glazen pandgang en laterale toegang tot de kerk via een dubbel hoog glazen doos, 2015 (MVR)

    opnieuw economische activiteiten uitbouwen, in de naaikamer, boekbinderij en schoenmakerij. Ze zijn ook actief betrokken bij de werking van het lokale hulpcomit, in de verdeling van kledij en in de bedeling van de school- en volkssoep. Tegen de herfst van 1917 dient het klooster tijdelijk als opvang-plaats voor 500 600 vluchtelingen uit de frontsector (Menen, Wervik, Ko-men). De dagboekschrijvende ursulinenzuster spreekt over een spektakel, aangezien op een paar uitzonderingen na, het gaat om het uitschot van het volk [lees: de armste laag van de bevolking].

    Na de wapenstilstand overnachten terugtrekkende Duitse troepen in het pensionaat, alvorens de zusters, bij de bevrijding op 23 november 1918, een bataljon Belgische soldaten herbergen.

    Bij het begin van WOII worden alle 250 leerlingen naar huis gestuurd, vermits de lokalen van de lagere meisjesschool in Tildonk in beslag genomen zijn door soldaten in het kader van de mobilisatie door het Belgische leger. Na mei 1940 start het pensionaat terug op met 2 internen en 12 half-internen. Tijdens de bezetting doet de instelling dienst als hospitaal en opvangcentrum. Tijdelijk zijn er Oostenrijkse soldaten ingekwartierd in de meisjesschool en de turnzaal van de internen. Na de bevrijding wordt in de gebouwen van de kostschool en het externaat een Engels militair hospitaal, het 32nd General Hospital, ondergebracht. Dit psychiatrisch hospitaal is bedoeld voor hen die door het meegemaakte oorlogsgeweld ingestort waren (shell-shock).

    4

  • 36 37

    zodat het zwevend effect van de gang die zich n meter boven de tuin bevindt, geaccentu-eerd wordt. Tussen de twee steunberen van de kapel is er een doorgang via een trap naar de crypte, zodat ook de begraafplaats van de zus-ters toegankelijk is. Nadien is aan het uiteinde van de verlengde zuidelijke gang een dubbel hoge glazen doos, met betonnen trap en lift, ingebouwd, op de plaats waar zich vroeger de serre in de kapelkoer bevond. Dit zorgt voor een nieuwe laterale toegang in de achterste travee van de kerk onder een spits boograam dat onder het oksaal aanwezig is, parallel aan de ingang langs het noordelijke transept waar-langs de zusters rechtstreeks het koor konden betreden vanuit de eerste verdieping van het klooster. Dit laat toe de kerk te gebruiken voor publieksgerichte culturele activiteiten, zoals concerten, lezingen, toneelvoorstellingen, feesten,

    Van de historische, overdekte pandgang was doorheen de jaren het oorspronkelijke stalen buitenschrijnwerk vervangen door zware alu-minium profielen. Bij het wegwerken van deze storende ingreep is niet gekozen voor een re-constructie van het enkel glas in een ijzeren kaderwerk, maar wel voor een structurele beglazing van vloer tot dakrand, met behoud van de achthoekige gietijzeren kolommen, voor

    een openheid naar de heraangelegde binnen-tuin. De rond 1990 toegevoegde overkapping aan de noordzijde van de westvleugel is ver-vangen door een nieuwe constructie, volgens het principe van de glazen doos, wel hoger dan de overkapping van de pandgang, zodat de spitsboogramen op het gelijkvloers maximaal zichtbaar zijn.

    De historische kloosterkeukens en refterruimte uit 1896 die gezien hun ruimtelijke kwaliteiten geschikt waren voor hergebruik, zijn gerevalo-riseerd in een meer uitgebreid horecagedeelte. De refter van de missiezusters is heringericht als brasserie die uitgeeft op een terras aangelegd in de binnentuin. De kloosterkapel is met minimale ingrepen omgevormd tot een restaurant: de oor-spronkelijke koorbanken doen dienst als zitele-menten, de grafiek van de glasramen is verwerkt in de decoratie van akoestische panelen en een toog doet dienst als modern altaar vooraan in het koor. De tussenruimtes zijn op gelijk niveau gebracht en fungeren als afwaskeuken, koel-ruimtes, sanitair en atrium. Bij de revalorisatie zijn enkele historische elementen maximaal be-houden, zoals het expansievat, de warmhoud-kast, de keukenkasten en werkbladen.

    De grote lokalen op het gelijkvloers van de zuidvleugel, waaronder de bibliotheek, kapit-tel- of recreatiezaal en refter worden ingezet

    als vergader- en seminarieruimtes. De kleine-re lokalen op de eerste verdieping dienen als kantoor of ontvangstruimte voor organisaties actief in thuiszorg, hulpverlening, vorming of sociale tewerkstelling voor wie Ons faci-literend optreedt. Zo huizen er momenteel al enkele organisaties uit de welzijns- en socio-culturele sectoren in het complex.

    De grote groenoase tussen kloostergebouw en vaart, met parkzone, moestuinen, boomgaar-den en serre, is in 2013 in zijn oorspronkelijke staat heringericht en bijkomend ontsloten via een nieuwe ingang vanaf het fietspad langs de vaart. De siertuin van het klooster is op Europees niveau erkend als stiltegebied waar rust en bezinning centraal staan. Het vroege-re nutsgedeelte van het domein wordt ingezet voor een duurzaam samentuinproject met als doel de gezamenlijke productie van ecologisch verantwoord voedsel door lokale burgers.

    BELEVINGSCENTRUM 14-18

    De lokalen gelegen aan de westelijke en noordelijke zijde van de pandgang, waar-onder de kamers van de vroegere galerie des parloirs, zijn ingericht met een museale functie. Inhoudelijk verbonden met het ver-leden van het klooster als hoofdkwartier van de Duitse strijdkrachten tijdens WOI, is het door de provincie Vlaams-Brabant ingerichte Belevingscentrum 14-18 erin ondergebracht, dat focust op de Vlaams-Brabantse oorlogsge-schiedenis. De zes ruimtes en de kloosterpand-gang hebben telkens een andere invulling. De pandgang verbindt de kamers en brengt aan de hand van tijdlijnen en citaten het nationale en internationale oorlogsverhaal in beeld. De kleuren op de wanden leiden van de invals-ruimtes (augustus en september 1914) naar de bezettingsruimtes (oktober 1914-november 1918).

    In het belevingscentrum zelf is gestreefd naar een evenwicht tussen kennisoverdracht en emotionele inleving. Zonder het bredere

    militaire kader uit het oog te verliezen, focust de tentoonstelling niet zozeer op de oorlogsgruwel, maar wel op de dreiging en dwang van een bezettingscontext, en vertrekt hierbij vanuit regionaal relevante persoonlijke verhalen van voornamelijk burgers. Deze nar-ratieve opzet vertaalt zich ook in de ruimtelij-ke inrichting. Geflankeerd aan de kant van de binnentuin door een pandgang, uitgerust met visuele herkenningspunten over het Belgische en internationale verloop van de oorlog, bie-den de opeenvolgende ruimtes een waaier aan invalshoeken en presentatiewijzes. Hierbij is bewust gekozen om af te stappen van een klassieke museale aanpak aan de hand van collectiestukken.

    Foto van de vergader- en seminarieruimte zaal Ursula in een voormalig kloosterlokaal op de sociale campus Engelenburcht, 2015 (MVR)

    Foto van de pandgang in het Belevingscentrum 14-18 met visuele herkenningspunten over het Belgische en internationale verloop van WOI, 2014 (LL)

    Foto van de pandgang in het Belevingscentrum 14-18 met structurele beglazing van vloer tot dakrand en met behoud van de achthoekige gietijzeren kolommen, 2015 (ONS)

  • 38 39

    LAMBERTZHOEVE, KLEUTERSCHOOL EN ART-NOUVEAUFEESTZAAL

    De schoolgebouwen doorlopen sinds enkele jaren ook een proces van restauratie en ge-deeltelijke herbestemming, naar ontwerp van De Vloed Architects (Gent).

    Na meer dan een eeuw gehuisvest te zijn in het dorpsschooltje, verhuist de vrije basisschool Sint-Angela in 2014 naar de laat-19de-eeuwse kloosterhoeve die gerenoveerd is tot een hedendaags schoolgebouw. Hierbij zijn het uitzicht en het volume van het gebouw maximaal behouden. Na de opkuis en de herlegging van de kasseistenen, is op de binnenkoer een losstaande varkensstal gesloopt om plaats te maken voor de aanleg van een speelplaats en groene speelzone. Van het gebouwencomplex zijn de bestaande materialen na behandeling en reiniging grotendeels gerecupereerd, zoals de houten gebinten en draagbalken, de gebogen stenen gewelven in onder andere de bakkerij, de vloerpatronen bestaande uit zwarte en witte tegels, de houten binnendeuren, het metalen buitenschrijnwerk, de gecementeerde buitenplinten, de arduinen dorpels en de dekstenen op de trapgevels. Alle dakbedekkingen, leien en zinken, zijn vervangen door identieke materialen en de dakkapellen van nieuwe ramen voorzien. De toevoeging van enkele dakkapellen dient om de lichtinval te vergroten, gezien vele van de elf nieuwe klaslokalen zich rechtstreeks onder

    het dak van de boerderijzolder situeren. De droogzolder is omgevormd tot zorglokaal en leslokaal net zoals de was-, strijk-, stookplaats, schrijnwerkerij en groentekuiserij; de aardappel- en graanzolder tot refter; de koetsstallingen tot een overdekte speelruimte en de paarden- en koeienstallen tot een turnzaal. De bakkerij biedt ruimte aan groepsactiviteiten of extra pedagogische begeleiding.

    In het nieuwe schoolgebouw zijn heel wat typische en bovendien beschermde erfgoedelementen bewaard. Naast de stoom-droogrekken in een leslokaal op het gelijk-vloers, vindt men op de bovenverdieping in het zorglokaal ook een prachtige goederenlift uit 1860 die de verbinding vormde tussen strijkruimte en droogzolder, en een authentiek waterreservoir dat de boerderij van regenwater voorzag.

    Foto van het klaslokaal in voormalig strijkatelier met droogrekkast op de kloosterboerderij, 2015 (LB)

    Foto van de bakoven in de voormalige bakkerij op de kloosterboerderij, 2015 (MVR)

    Foto van het praktijklokaal op de voormalige zolder van de kloosterboerderij, 2015 (LB)

    Foto van de goederenlift uit 1860 op de voormalige droog-zolder van de kloosterboerderij, 2015 (MVR)

    Foto van de speelplaats en groene speelzone op de binnenkoer van de voormalige kloosterboerderij, 2015 (MVR)

  • 40 41

    De volledig gerestaureerde broodbakoven in het zorgcordinatielokaal is hierbij een parel-tje, terwijl in de hal naast de turnzaal een ron-de kachel in steen nog getuigt van het koken van voedsel voor de varkens.

    De oorspronkelijke dorpsschool doet nu dienst als kleuterschool, na eveneens een periode van renovatie van gevels, dakgoten en bui-tenschrijnwerk. Hierbij is niet geraakt aan de indeling. Door de integratie van nieuw sanitair in het gebouw zelf drong zich geen nieuwbouw op. De aankleding, waaronder het herstelde binnenschrijnwerk, is ook behouden als getuige van de vroegere functie. De omhei-ningsmuur is eveneens gereinigd, hersteld en heropgevoegd.

    De art-nouveaufeestzaal wordt momenteel onder handen genomen. De zaal krijgt, ge-zien de slechte staat van het hout en zink, een nieuwe bedakking in natuurleien, met herstel van afgebroken elementen die de nok van het dak afsluiten. Ook de door corrosie en wate-rinsijpeling beschadigde serreconstructie die de vlakke plafondbeglazing in glas-in-lood beschermt, en de schuine beschermbeglazin-gen aan de noord-, zuid- en westgevel wor-den vernieuwd en voorzien van gelaagd glas en nokverluchting. Aan de oostgevel voorziet men een restauratie van enerzijds de door roestvorming aangetaste stalen structuur en blauwe hardsteen aan de buitenzijde en an-derzijds alle glas-in-lood panelen die deels be-schadigd, deels vervangen in verkeerde kleur of textuur, of deels op de verkeerde plaats teruggezet zijn. Ze worden opnieuw in hun oorspronkelijke staat gebracht, door herstel van origineel materiaal en door reconstructie van ontbrekende glaspanelen met glastypes die qua textuur en kleur refereren naar de bestaande. In het interieur plant men de ori-ginele witte schilderafwerking op de herstelde staalconstructie en beplanking opnieuw aan te brengen, naast het herstel en onderhoud van binnenschrijnwerk (trap, deuren, ...), het aanbrengen van nieuw parket gelijkvloers, gesoleerd met vloerverwarming voorzien op een nieuwe betonplaat, het vernieuwen van de bestaande planken vloer op de passerelle, het herstel en onderhoud van de schilderwer-ken op de binnenwanden, en het herstel van de faience, bijvoorbeeld op die plaatsen die beschadigd zijn door de verwijdering van de oorspronkelijke gietijzeren radiatoren.

    Deze brochure kwam tot stand dankzij de inbreng van Jan Gordts, Lut Bellekens, Arthur Troch en Bernadette Uytterhoeven, en is gebaseerd op onder andere volgende bronnen:

    Y. Vanden Bemden e.a., Glas in lood, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1992 [M&L Cahier, 1]

    R. Casteels R. en G. Vandegoor, 1914 in de regio Haacht: kleine dorpen in de Grote Oorlog, Haacht, Haachtse Geschied- en Oudheidkundige Kring, 1993

    M. Rosier, Het Ursulinenklooster te Tildonk: Art Nouveau-zaal uit 1903, Haachts Geschied- en Oud-heidkundig Tijdschrift, 1995, 10/1, 25-30 M. Rosier, Het Ursulinenklooster te Tildonk: een bouwhistorisch en iconografisch overzicht, Haachts

    Geschied- en Oudheidkundig Tijdschrift, 1995, 10/3-4, 281-289 M. Baeck en B. Verbrugge, De Belgische art nouveau en art deco wandtegels, 1880 1940, Brussel,

    Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1996 [M&L Cahier, 3]

    J. Gordts, De grote kloosterbrand te Tildonk in 1928, Haachts Geschied- en Oudheidkundig Tijd-schrift, 1998, 13/3-4, 236-254 M. Vandenheuvel, In 1945 was het klooster van Tildonk een Brits legerhospitaal, Haachts Geschied-

    en Oudheidkundig Tijdschrift, 2001, 16/2, 158-169 S. Hautvast en J. Eijt, Een missie in de marge: Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart in

    Nederland en Indonesi 1911-2000, Hilversum, Verloren, 2002 J. Gordts, Het Tildonks Sticht in de periode 1818-1832, voorloper van het latere ursulinenklooster,

    Haachts Geschied- en Oudheidkundig Tijdschrift, 2004, 19/2, 158-174 J. Gordts, Tilloenk vruger, Tildonk, 2006 R. Deneef, H. De Jaeck en B. Uytterhoeven, Haacht (Tildonk): ursulinenklooster, in R. Deneef (red.),

    Historische tuinen en parken van Vlaanderen: inventaris Vlaams-Brabant. Deel 7. Hageland noord-oosten van Vlaams-Brabant, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2007, 176-180 M. Baeck, Een kostschool met klasse. Het Instituut van de Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver,

    centrum van katholieke moderniteit, Antwerpen, Provinciebestuur Antwerpen, 2011 J. Gordts, Leerlingenwerving voor de internationale kostschool van de Tildonkse ursulinen in de 19de

    en 20ste eeuw, Haachts Geschied- en Oudheidkundig Tijdschrift, 2011, 26/2, 111-128 R. Casteels, De Eerste Wereldoorlog in het dagboek van de Tildonkse ursulinen, Haacht, Haachtse

    Geschied- en Oudheidkundige Kring, 2013

    J. Gordts, Het Tildonkse ursulinenklooster, litho op postkaart 1903-04, Haachts Geschied- en Oud-heidkundig Tijdschrift, 2014, 29/1, 96-97 M. Derez e.a., De Groote Oorlog in Vlaams-Brabant, Gent, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 2014 M. Van Roost, Tijdloos: het voormalige klooster- en scholencomplex van de zusters ursulinen te Tildonk,

    Herent, Peeters, 2015

    Annalen van de Ursulinen te Tildonk, archief ursulinenklooster, Tildonk Restauratiedossiers a33 architecten en Koplamp architecten, en De Vloed Architects, te raadplegen bij

    Agentschap Onroerend Erfgoed, afdeling Vlaams-Brabant

    Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Sint-Angela-instituut en -klooster, in Inventaris Onroerend Erf-goed. Opgehaald van https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200084 op 10-06-2016

    http://crkc.be/engelenburcht, geconsulteerd op 10-06-2016Foto van gang en klaslokalen met Heilig-Hartbeeld in de tot kleuter-school herbestemde dorpsschool, 2015 (MVR)

  • 42 43

    Documentatiecentrum Vlaams-Brabant Wil je je helemaal verdiepen in de Tildonkse ursulinen en hun gebouwencomplex? Duik dan het Documentatiecentrum Vlaams-Brabant in. Deze bewaarbibliotheek verzamelt, beheert en ontsluit alle relevante publicaties over het erfgoed en het verleden van de provincie en haar voorlopers, de provincie Brabant en het hertogdom Brabant. Haar collectie telt maar liefst 7000 boeken en tijd-schriften over tal van onderwerpen zoals lokale geschiedenis, heemkunde, archeologie, monumen-ten, dialecten, genealogie, natuur, geografie Verder bezit deze bewaarbibliotheek een uitgebrei-de collectie heemkundige en andere tijdschriften. Via bijdragen aan tentoonstellingen, publicaties, Erfgoeddag, onderzoeksprojecten, wandelingen en lezingen laat ze een breed publiek kennismaken met het geheugen van Vlaams-Brabant.

    De collectie is vrij toegankelijk en in open rekken opgesteld. Uitleen van materialen is mogelijk, alsook het maken van fotokopien. Via het internet doorzoek je in een wip de hele collectie. Surf naar http://docvlaamsbrabant.bibliotheek.be of spring binnen in de Vaartstraat 24, 3000 Leuven.

    INFO www.vlaamsbrabant.be/documentatiecentrum

    CONTACT documentatiecentrum@vlaamsbrabant.be - 016-31 49 54

    OPENINGSUREN maandag gesloten dinsdag tot vrijdag: 09-16.30 uur 1ste zaterdag van de maand: 09-12.30 uur en 13-16 uur juli en augustus: gesloten tussen 12-13 uur en op zaterdag

    Duik in het Vlaams-Brabantse WOI-verleden

    THEMANUMMER OKV

    Dit themanummer van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen diept de Vlaams-Brabantse oorlogsgeschiedenis uit. Zo draagt de provincie haar steentje bij om het oorlogs- en bezettingsverleden, het over-geleverde erfgoed en de actuele relevantie ervan voor een breed publiek toegankelijk te maken. Het focust in de eerste plaats op het Belevingscentrum 14-18 in het Ursulinenklooster van Tildonk (Haacht). In dit interactieve museum over de regionale WOI-geschiedenis kan de bezoeker een dialoog aangaan met het verleden van de site, met de persoonlijke getuigenissen en bijbehorende erfgoedobjecten. Maar het themanummer neemt de lezer ook mee op een verrassende verken-ningstocht langs de waardevolle (kunst)historische relicten uit WOI in de regio. Het besteedt aandacht aan kleinere en tot op heden beperkt ontsloten museale erfgoed- en kunstcollecties, aan het collectieve ge-heugen opgeslagen in digitale collecties van verhalen en objecten, en aan de landschappelijke en bouwkundige overlevering die getuigt van vernieling, wederopbouw en herdenking.

    TE KOOP AAN 5 EURO IN HET BELEVINGSCENTRUM 14-18, KRUINEIKESTRAAT 5A IN TILDONK

    BROCHURE GROOTE OORLOG IN VLAAMS-BRABANT

    Hoewel de Eerste Wereldoorlog vaak geassocieerd wordt met gevech-ten aan de IJzer, is er ook in Vlaams-Brabant stevig gestreden. In de regionale herinnering leven vooral de gevechten aan de Gete en de Dijle, alsook de represailles in Leuven, Aarschot en Zemst. Bovendien had de oorlog overal een grote impact op elk aspect van het dage-lijks leven. In een brochure belichten de auteurs de eigenheid van het Vlaams-Brabantse oorlogsverleden, zowel de atypische krijgsverrich-tingen als de regionale diversiteit in bezettingservaringen. Sprekend beeldmateriaal, zorgvuldig gekozen uit het regionale erfgoed, maken de vele anekdotes tastbaar.

    TE BESTELLEN VOOR 2 EURO OF TE DOWNLOADEN OP: WWW.VLAAMSBRABANT.BE/WOI OF WWW.VLAAMSBRABANT.BE/PUBLICATIES

    Brochure uitgegeven ter gelegenheid van Open Monumentendag 2016.

    Redactie: Provincie Vlaams-Brabant - dienst erfgoed i.s.m. met Engelenburcht (Ons), Sint-Angela-Instituut, Vrije Basisschool Lambertzhoeve, met dank aan Jan Gordts, Maurits Van Roost, Lut Bellekens, Arthur Troch, Bernadette Uytterhoeven, De Vloed Architects, a33 architecten en Koplamp architecten

    Verantwoording illustraties: AU Archief Ursulinen, Tildonk | JG Jan Gordts, Haachtse Geschied- en Oudheidkundige Kring | KADOC KADOC KU Leuven - Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving, Leuven | LB Lut Bellekens, Vrije Basisschool Lambertzhoeve, Tildonk | LL Lander Loeckx | ONS Klaartje Janssens, Engelenburcht (Ons) | MOWA Monumentenwacht Vlaams-Brabant, Leuven | MVR Maurits Van Roost, Wilsele

    THEMA DE GROOTE OORLOG IN VLAAMS-BRABANT

    02 De Groote Oorlog in Vlaams-Brabant08 Het Ursulinenklooster in Tildonk14 Erfgoed van de Eerste Wereldoorlog in een belevingsparcours18 Een ontbolsterende avant-garde: Felix De Boeck tijdens WOI24 Wereldoorlog I-erfgoed in een museum voor beeldcultuur

    OPENBAAR KUNSTBEZIT VLAANDEREN

    DE GROOTE

    OORLOG in Vlaams-Brabant

    28 Oorlog en vernietiging in het Stedelijk Museum van Aarschot32 Furore Teutonico diruta, dono Americano restituta36 Speuren naar sporen van de Eerste Wereldoorlog in de Getevallei40 Praktisch

    1

    4 AUGUSTUS 1914 | Duitse inval in Belgi

  • 44

    MEER INFOWWW.VLAAMSBRABANT.BE/ERFGOED

    Dienst erfgoed

    Provincieplein 1 - 3010 Leuven016-26 74 76

    erfgoed@vlaamsbrabant.be

    Beleidsverantwoordelijke

    gedeputeerde Tom Dehaene016-26 70 22

    kabinet.dehaene@vlaamsbrabant.be

Recommended

View more >