Faculteit Geneeskunde Gezondheidswetenschappen Het ... I - Nervus Olfactorius De reukfunctie kan getest worden met reukflesjes die aromatische stoffen (koffie, vanille,) bevatten,

  • View
    218

  • Download
    3

Embed Size (px)

Text of Faculteit Geneeskunde Gezondheidswetenschappen Het ... I - Nervus Olfactorius De reukfunctie kan...

  • 1

    Skillslab handleiding Faculteit Geneeskunde

    &

    Gezondheidswetenschappen

    Het neurologisch

    basisonderzoek

    Academiejaar 2011-2012

    Skillslabteam

    Dr. Jan Reniers

    Dr. Jan Debruyne - vakgroep neurologie

    Prof. Dr. Koen Paemeleire

    Deze handleiding behoort toe aan:

    .................................................................................................................................

  • 2

    Inleiding

    Deze uitprint wordt meegebracht naar de vaardigheidssessies

    NEUROLOGISCH ONDERZOEK.

    De volledige module NEUROLOGISCH ONDERZOEK omvat

    tevens de elektronische module met videofragmenten te bekijken via

    de leerpaden op Minerva.

    Noodzakelijk materiaal

    Reflexhamer

    Stemvork

    Penlicht

    Tongspatel

    Wattenstokjes

    Snellen Eye Chart

    Algemene bemerkingen Het neurologisch onderzoek begint met de observatie van de patint terwijl de anamnese

    wordt afgenomen. Daarbij krijgt men informatie over het Bewustzijnsniveau van de patint,

    kan men oordelen of de patint Adequaat en Georinteerd is (BAG). Men krijgt tevens

    informatie over spraak en taal.

    Vervolgens gaat men over tot het klinisch neurologisch onderzoek, dat steeds in een vaste

    volgorde en op een uniforme manier dient te worden uitgevoerd. De doortastendheid van het

    neurologisch onderzoek hangt natuurlijk af van het klinische probleem waarmee de patint

    consulteert. Er wordt steeds gelet op de symmetrie tussen links en rechts.

    Achtereenvolgens onderzoeken we:

    1. Hogere corticale functies

    2. Hals- en nekstreek

    3. Craniale zenuwen

    4. Motoriek

    5. Sensibiliteit

    6. Reflexen

    7. Cordinatie

    8. Gang, stand en evenwicht

    De tekst in kleinere letters is toegevoegd als bijkomende informatie of om bepaalde testen te

    verduidelijken.

  • 3

    1. Hogere corticale functies

    Deze functies worden getest als de anamnese of het gedrag van de patint gedurende het

    onderzoek een cognitief defect hebben doen vermoeden.

    Orintatie kan worden nagegaan in tijd, persoon en ruimte.

    Taal en spraak kunnen verder worden onderzocht: spontane spraak, begrip voor taal, nazeggen van een zin, schrijven en lezen

    Een Mini Mental Status Examination kan worden uitgevoerd (zie kopij in bijlage).

    2. Onderzoek van hals- en nekstreek

    Inspectie: Let op de stand van het hoofd van patint. Bij ernstige meningeale prikkeling houdt

    hij zijn nek spontaan in hyperextensie.

    Laat patint actief zijn hoofd buigen en naar links en rechts draaien of doe het passief voor

    hem. Normaal kan de kin juist op de borst gebracht worden. Bij meningeale prikkeling treedt

    toename van pijn of bewegingsbeperking (voornamelijk) op bij flexie. Uiteraard moeten

    traumatische letsels van de nek vooreerst zijn uitgesloten. Ook artrose kan het onderzoek

    bemoeilijken.

    Bij meningeale prikkeling kunnen de tekens van Brudzinski en Kernig worden

    opgespoord.

    Teken van Brudzinski: Breng het hoofd van patint vrij bruusk in flexie. Bij meningeale

    prikkeling kan er spontane flexie van beide knien optreden.

    Teken van Kernig: Men brengt de heup in 90 flexie en vervolgens strekt men de knie. Men

    spreekt van een aanwezig teken van Kernig wanneer de knie niet voorbij 135 kan worden

    gestrekt zonder een toename van pijn in de nekstreek te veroorzaken. Herhaal de procedure

    aan het andere been. Een consistente reactie versterkt het vermoeden van meningeale

    prikkeling.

    3. Onderzoek van de craniale zenuwen

    Mogelijke afwijkingen bij inspectie zijn:

    Ptose ooglid (III)

    Pupilafwijkingen (II-III)

    Abnormale oogstand (III, IV en VI)

    Afhangende mondhoek, asymmetrie gelaat (VII)

    Ook dysarthrie of een hese/nasale stem kan aanwezig zijn.

    Systematisch worden de twaalf craniale zenuwen overlopen volgens functie.

  • 4

    I - Nervus Olfactorius De reukfunctie kan getest worden met reukflesjes die aromatische stoffen (koffie, vanille,) bevatten, maar

    geen ammoniak of andere irriterende bestanddelen (stimulatie n. V). Test beide neusgaten afzonderlijk.

    II - Nervus Opticus

    Gezichtsscherpte

    Laat patint zijn bril of lenzen gebruiken om te corrigeren voor

    refractiestoornissen. De gezichtsscherpte kan vervolgens worden

    bepaald aan de hand van de Snellen Eye Chart, geplaatst op 6 meter

    afstand. Laat de patint n oog met zijn hand afdekken en vervolgens

    met het andere oog progressief kleinere letters lezen tot hij niet meer

    verder kan. Noteer dan het cijfer van de kleinste lijn die hij nog kan

    lezen. Herhaal voor het andere oog.

    Onderzoek de gezichtsvelden via de confrontatietest door het vergelijken van je eigen gezichtsveld met dat van de patint (in de veronderstelling dat je eigen gezichtsvelden

    normaal zijn). We zoeken hierbij in het bijzonder naar een kwadrantanopsie, hemianopsie of

    visueel extinctiefenomeen. Ga voor de patint zitten op ongeveer 1 meter afstand en op zelfde

    ooghoogte en vraag hem het rechter oog te sluiten. Sluit zelf het linkeroog. Vraag patint u

    recht aan te kijken en het hoofd stil te houden. Houd n arm op ooghoogte naar rechts

    gestrekt en de andere naar links. Daarbij moeten je handen zich steeds bevinden in een vlak

    midden tussen jou en de patint. Beweeg dan afwisselend twee vingers van n van je handen,

    en vraag aan de patint elke beweging te melden door de bewegende hand aan te duiden.

    Beweeg ook een keer beide handen. Het onderzoek wordt vervolgens gedaan met n hand

    midden-boven en de andere midden-onder; daarna met n hand rechts boven, de andere links

    onder en tenslotte n hand rechts onder en de andere links boven. Als de patint geen juist

    antwoord geeft, beweeg dan de hand die niet goed wordt beoordeeld langzaam van buiten het

    gezichtsveld naar binnen. Test vervolgens het andere oog.

    De neuro-anatomie van de pupilreflexen is complex en omvat ondermeer de n. II en n. III.

    Het onderzoek van de pupilreflexen (en een eventuele funduscopie) worden pas uitgevoerd na

    het testen van de visusscherpte en gezichtsvelden.

    Beoordeel de wijdte van beide pupillen, zowel in het licht als het donker, en vergelijk daarbij

    links en rechts. Bij 20% van de populatie is er een verschil van meer dan 0.5 mm. Let ook op

    de vorm van de pupillen.

    Voor het testen van de pupilreflexen wordt de kamer indien nodig wat verduisterd.

    Laat de patint in de verte kijken. Laat dan van lateraal licht op de rechter pupil vallen en

    beoordeel of de rechter pupil vernauwt (direct lichtreflex).

  • 5

    Scherm nu met n hand, die tegen de neusrug van de patint wordt gehouden, het linker oog

    af voor het invallende licht en herhaal vervolgens dezelfde procedure om te beoordelen of

    tegelijkertijd de linker pupil vernauwt (consensueel lichtreflex). Daarna wordt het linkeroog

    op dezelfde manier getest.

    Voor de accommodatiereflex vraagt men de patint de blik te fixeren op je wijsvinger, die je

    op ongeveer een meter afstand houdt, midden voor het gezicht. Beweeg de vinger langzaam

    naar de top van de neus van de patint. Men let daarbij op de reactie van de pupillen (miose)

    tijdens het convergeren.

    Funduscopie: Zonder dilatatie van de pupil, zoals door de oftalmoloog wordt gedaan, is een goede inspectie van

    de volledige retina (in het bijzonder de periferie) met de funduscoop niet mogelijk. Funduscopisch onderzoek

    zonder pupildilatatie laat wel een onderzoek van de papil toe (papiloedeem etc.).

    III-IV-VI Nervus Oculomotorius, Trochlearis en Abducens

    De nervus oculomotorius verzekert alle oogbewegingen, behalve abductie (n. abducens

    m. rectus lateralis) en het naar binnen-beneden kijken (n. trochlearis m. obliquus superior).

    De n. oculomotorius staat ook in voor het optrekken van het bovenste ooglid. De

    parasympatische vezels die verantwoordelijk zijn voor de constrictie van de pupil verlopen

    samen met de nervus oculomotorius.

    Beoordeel de stand van de ogen in rust. Mogelijke afwijkingen zijn ptose van een ooglid, een

    abnormale oogstand of de aanwezigheid van onwillekeurige oogbewegingen (zoals

    nystagmus). Nystagmus is een ritmische oscillatie, een vorm van tremor van de ogen, meestal

    gekenmerkt door een snelle heenslag en een tragere terugslag. De richting van de nystagmus

    wordt genoemd naar de snelle fase. Vraag de patint naar boven, beneden, links en rechts te

    kijken en controleer of er nystagmus optreedt. Enkele nystagmusbewegingen in extreme

    laterale stand zijn normaal. Beoordeel daarom in blikrichting < 45.

    Vraag vervolgens de patint het hoofd recht en stil te houden voor het onderzoek van de

    oogvolgbewegingen. Let bij het onderzoek op een eventueel optredende strabismus en vraag

    de patint vooraf of hij tijdens het onderzoek je vinger ergens dubbel ziet (diplopie).

    Laat patint met zijn ogen je vinger volgen links en rechts horizontaal, naar links en rechts

    boven, naar links en rechts beneden, in het midden naar boven en beneden.

    Beweeg tenslotte je vinger van centraal naar het topje van de neus van de patint en let daarbij

    op een symmetrische adductie van beide ogen.

    V - Nervus Trigeminus

    De nervus trigeminus (n. V) staat in voor de sensibiliteit van het gelaat

    en voor de motoriek van de kauwspieren. Deze craniale zenuw heeft 3

    takken: