of 170/170
I N S T R U C T I E B O E K J E 5 0 0 A B A R T H

603.81.379NL Abarth 500 Ins

  • View
    59

  • Download
    6

Embed Size (px)

DESCRIPTION

free

Text of 603.81.379NL Abarth 500 Ins

5

0

0

A

B

A

R

T

H

I

N

S

T

R

U

C

T

I

E

B

O

E

K

J

E

Geachte clint, Hartelijk dank dat u voor een Abarth hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk onderdeel van uw Abarth leert kennen en u uw auto op de juiste manier zult gebruiken. Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden. Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw Abarth volledig te benutten. Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de symbolen aandachtig te lezen: veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. In de de Service- en garantiehandleiding vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud: het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden een overzicht van de speciale aanvullende service voor Abarth-clinten. Veel leesplezier en goede reis!De bijzondere 500 Abarth is een eigenzinnige auto met een onmiskenbare vormgeving, gedreven door harmonie tussen stijl en traditie en die dank zij zijn nieuwe specificaties veiligheid combineert met uitzonderlijke prestaties. De sideskirts, de achterspoiler en de diffuser onder de bodemplaat verbeteren het effect van de luchtstromingen, de carrosseriestand en de wegligging bij hoge snelheden. Aan de uiteinden van de diffuser zijn twee openingen aangebracht voor de symmetrische eindpijpen van de dwarsgeplaatste uitlaatdemper. Kenmerkend zijn ook de symmetrisch geplaatste luchtopeningen voor en achter; de voorste voor de luchttoevoer voor koeling van de twee intercoolers en de tweede voor afvoer van de luchtstroom achter. De toepassing van het TTC-systeem (Torque Transfer Control) verbetert de overbrenging van het motorkoppel op de wielen en garandeert een veiliger weggedrag en gevoeliger besturing in het bijzonder in bochten. Het comfort is verhoogd door de introductie van een stabilisatorstang, die een zachtere afstelling van de schokdempers en daardoor een minder stug weggedrag mogelijk maakt. Alle kenmerken in het interieur van de 500 Abarth zoals de analoge turbodrukmeter, het driespaaksstuurwiel met voorgevormde handgrepen, de aluminium pedalen, de versnellingspook met ergonomische pookknop en de stoelen met in de rugleuning gentegreerde hoofdsteun, benadrukken het sportieve karakter van de auto. In dit instructieboekje worden diverse uitvoeringen van de nieuwe 500 Abarth beschreven; u dient zich echter aan de informatie te houden die geldt voor de uitvoering van de auto die u gekocht hebt.

WEGWIJS IN UW AUTO

WEGWIJS IN UW AUTODASHBOARD ...................................................................... SYMBOLEN ........................................................................... CODE-STARTBLOKKERING ........................................... DE SLEUTELS ........................................................................ INSTRUMENTENPANEEL ................................................. MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY EN INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY ..................................... TRIP COMPUTER ................................................................ ZITPLAATSEN ...................................................................... HOOFDSTEUNEN .............................................................. STUURWIEL ......................................................................... SPIEGELS ................................................................................ KLIMAATREGELING ........................................................... VERWARMING EN VENTILATIE .................................... HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING ..................... AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING....................... BUITENVERLICHTING ...................................................... RUITEN REINIGEN ............................................................. 3 4 4 5 9 12 21 23 24 25 26 27 28 29 31 34 35 PLAFONDVERLICHTING ................................................. BEDIENINGSORGANEN .................................................. INTERIEURUITRUSTING .................................................. OPENDAK.............................................................................. PORTIEREN .......................................................................... RUITBEDIENING ................................................................. BAGAGERUIMTE ................................................................. MOTORKAP ......................................................................... IMPERIAAL/SKIDRAGER ................................................... KOPLAMPEN ........................................................................ ABS .......................................................................................... ESP-SYSTEEM ....................................................................... EOBD-SYSTEEM ................................................................... ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING DUALDRIVE ...................................................................... AUTORADIO ....................................................................... TANKEN ................................................................................ BESCHERMING VAN HET MILIEU ................................. 36 37 39 41 43 45 46 49 51 51 53 54 57 5859 61 62

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

2

De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsorganen, de instrumenten en de controle-/waarschuwingslampjes kunnen per uitvoering verschillen.

fig. 1

F0S0001Ab

1. Uitstroomopening aan zijkant 2. Linker hendel: bediening buitenverlichting 3. Turbodrukmeter 4. Instrumentenpaneel en controle-/waarschuwingslampjes 5. Montagevoorbereiding voor draagbaar navigatiesysteem 6. Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer 7. Uitstroomopeningen in het midden 8. Opbergvak/autoradio 9. Airbag passagierszijde 10. Opbergvak/verborgen documentenvakje 11. Bediening verwarming/ventilatie/airconditioning 12. Elektrische ruitbediening 13. Dashboardkastje - 14. Versnellingspook 15. Knie-airbag (KNEE BAG) 16. Airbag bestuurderszijde.

3

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

DASHBOARD

WEGWIJS IN UW AUTO

SYMBOLENOp of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw auto zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht, met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt. Op de binnenbekleding van de motorkap bevindt zich een plaatje met een korte samenvatting van de symbolen.

CODESTARTBLOKKERINGVoor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen. Als u bij het starten van de motor de sleutel in stand MAR draait, dan stuurt het CODE-systeem een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft. Als bij het starten de code niet wordt herkend, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje Y branden. Draai in dat geval de sleutel in stand STOP en vervolgens in stand MAR; als de motor geblokkeerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutels. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot het Abarth Servicenetwerk. BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht) moet u zich tot het Abarth Servicenetwerk wenden.

Als het lampje Y tijdens het rijden gaat branden Als het lampje Y gaat branden, betekent dit dat het systeem zichzelf controleert (bijv. bij een vermindering van de spanning). Als de storing blijft optreden, wendt u dan tot het Abarth Servicenetwerk.

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

Bij krachtige stoten kunnen de elektronische componenten in de sleutel beschadigd worden.

4

Bij de auto worden twee sleutels geleverd en de CODE-card waarop staat aangegeven: A de elektronische code. B de mechanische code van de sleutels die bij aanvraag van duplicaatsleutels aan het Abarth Servicenetwerk moet worden overhandigd. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card A altijd bij u te hebben. BELANGRIJK Om schade aan de elektronische schakelingen in de sleutels te voorkomen, mogen de sleutels niet aan directe zonnestraling worden blootgesteld. Als de auto wordt verkocht, moeten alle sleutels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe eigenaar.fig. 2F0S0002Ab

fig. 4

F0S0004Ab

B A

De metalen baard A dient voor: het start-/contactslot; het slot van de portieren; het ver-/ontgrendelen van de tankdop.fig. 3F0S0003Ab

MECHANISCHE SLEUTEL fig. 3 De metalen baard A dient voor: het start-/contactslot; het slot van de portieren; het ver-/ontgrendelen van de tankdop.

5

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

Als u op de knop B drukt, wordt de metalen baard in-/uitgeklapt.

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING (indien aanwezig) fig. 4

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

CODE CARD (optional voor bepaalde uitvoeringen/markten) fig. 2

WEGWIJS IN UW AUTO

DE SLEUTELS

WEGWIJS IN UW AUTO

Portieren en achterklep ontgrendelen Druk kort op de knop de portieren en de achterklep worden ontgrendeld, de plafondverlichting wordt tijdelijk ingeschakeld en de richtingaanwijzers knipperen twee keer (bepaalde uitvoeringen/markten). Als de brandstofnoodschakeling in werking treedt, worden de portieren automatisch ontgrendeld.

Portieren en achterklep vergrendelen Druk kort op de knop de portieren en de achterklep worden op afstand vergrendeld, de plafondverlichting dooft en de richtingaanwijzers knipperen n keer (indien van toepassing). Als een of meer portieren niet goed gesloten zijn, wordt de vergrendeling niet uitgevoerd. Dit wordt aangegeven door het snel knipperen van de richtingaanwijzers (indien van toepassing). De portieren worden vergrendeld als de achterklep geopend is. Als sneller dan 20 km/h wordt gereden, dan worden de portieren automatisch vergrendeld als deze functie is ingesteld (alleen bij uitvoeringen met een instelbaar multifunctioneel display).

Achterklep op afstand ontgrendelen Druk de knop R in om op afstand de achterklep te ontgrendelen (openen). Het openen van de achterklep wordt aangegeven door het twee keer knipperen van de richtingaanwijzers.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

6

fig. 5

F0S0005Ab

Ga voor het vervangen van de batterij als volgt te werk: druk op de knop A en klap de metalen baard B uit; draai de schroef C in stand : met een kleine schroevendraaier; trek de batterijhouder D naar buiten en vervang de batterij E; let daarbij goed op de polariteit; plaats de batterijhouder D in de sleutel en draai de schroef C in stand .

fig. 6

F0S0006Ab

FRONTJE VAN AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN fig. 6 Volg voor het vervangen van het frontje van de afstandsbediening de in de figuur afgebeelde procedure.

7

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

BATTERIJ VAN DE SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN fig. 5

Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten in daarvoor bestemde containers worden gedeponeerd of kunnen ingeleverd worden bij het Abarth Servicenetwerk, dat voor de verwerking zorgt.

STARTEN EN RIJDEN

Het systeem kan maximaal 8 afstandsbedieningen herkennen. Als u in de loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, kunt u zich tot het Abarth Servicenetwerk wenden. Neem dan de CODEcard, een identiteitsbewijs en het kentekenbewijs mee.

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

EXTRA AFSTANDSBEDIENINGEN BESTELLEN

WEGWIJS IN UW AUTO

STUURSLOT Inschakelen Zet de sleutel in stand STOP, neem de sleutel uit het contactslot en draai het stuur totdat het vergrendelt. Uitschakelenfig. 7F0S0006Ab

VEILIGHEID

ATTENTIE Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto nog in beweging is. Bij de eerste stuuruitslag blokkeert het stuur automatisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleept wordt. Het is streng verboden om demontage-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.

STARTEN EN RIJDEN

Draai het stuur iets heen en weer, terwijl u de sleutel in stand MAR draait.

START-/CONTACTSLOT fig. 7 De sleutel kan in 3 standen worden gedraaid: STOP: motor uit, sleutel uitneembaar en stuur geblokkeerd. Enkele elektrische installaties kunnen werken (bijv. autoradio, centrale portiervergrendeling enz.). MAR: contact aan. Alle elektrische installaties werken. AVV: motor starten. Het contactslot is voorzien van een herstartbeveiliging. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

8

Uitvoeringen met multifunctioneel display A Snelheidsmeter B Toerenteller C Multifunctioneel display met digitale brandstofmeter en digitale koelvloeistoftemperatuurmeter. Uitvoeringen met instelbaar multifunctioneel display A Snelheidsmeter B Toerentellerfig. 8F0S0008Ab

fig. 9 - Uitvoering met instelbaar multifunctioneel display

F0S0009Ab

9

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

C Instelbaar multifunctioneel display met digitale brandstofmeter en digitale koelvloeistoftemperatuurmeter.

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

INSTRUMENTENPANEEL

WEGWIJS IN UW AUTO

Analoge turbodrukmeter De auto is uitgerust met een meter die m.b.v. wijzer A de druk van de turbocompressor aangeeft. Opmerking De wijzer van de turbodrukmeter mag nooit een hogere waarde aangeven dan 1 1,2 bar; zelfs niet bij een sportieve rijstijl waarbij de maximum prestaties worden verlangd. Een indicator B in de drukmeter geeft het optimale schakelmoment aan. De indicator voor het schakelmoment (pijl omhoog en tekst SHIFT UP) geeft slechts het advies om naar een hogere versnelling op te schakelen. Als u de contactsleutel op MAR draait, gaat de indicator voor het optimale schakelmoment branden en het dooft gelijktijdig met de andere lampjes op het instrumentenpaneel. Daarna wordt de pijl en de tekst SHIFT UP uitsluitend verlicht als advies om op te schakelen naar een hogere versnelling. Opmerking Het advies voor het schakelmoment is afhankelijk van de gekozen functie voor de rijstijl. Als de SPORT-functie is ingeschakeld, dan verschijnt het advies uitsluitend bij hoge toerentallen en daardoor minder vaak. Als de NORMAL-functie is gekozen, dan verschijnt het advies op basis van de voorwaarden voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik en daardoor veel vaker en ook bij lagere toerentallen.

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN fig. 10

VEILIGHEID

F0S0010Ab

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

10

A

SNELHEIDSMETER fig. 11 De meter A geeft de snelheid van de auto aan. TOERENTELLER fig. 11 De toerenteller B geeft het toerental van de motor aan.

ECfig. 11

FDF0S011Ab

DIGITALE BRANDSTOFMETER fig. 12 De digitale brandstofmeter C geeft de hoeveelheid brandstof aan die in de tank aanwezig is. Het waarschuwingslampje E K gaat branden als er nog ongeveer 5 liter brandstof aanwezig is. Rijd niet met een bijna lege brandstoftank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen.

Als het waarschuwingslampje F u gaat branden en er verschijnt een melding op het display, dan is de koelvloeistoftemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u tot het Abarth Servicenetwerk.

11

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

Het eerste streepje blijft altijd branden en geeft de correcte werking van het systeem aan.

VEILIGHEID

De digitale meter D geeft de temperatuur aan van de motorkoelvloeistof, zodra de koelvloeistoftemperatuur hoger wordt dan ongeveer 50C.

WEGWIJS IN UW AUTO

Het hoofdinstrumentenpaneel wordt aan de bovenzijde afgeschermd door een kap als bescherming tegen hinderlijke reflecties.

B

KOELVLOEISTOFTEMPERATUURMETER fig. 11

VEILIGHEID

MULTIFUNCTIONEEL EN INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY (indien aanwezig)De auto kan zijn uitgerust met een multifunctioneel display of een instelbaar multifunctioneel display dat tijdens de rit nuttige informatie levert aan de bestuurder op basis van de instelling voor de gewenste gegevens. BEGINSCHERM MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY fig. 12 Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven: A Informatie over Sport-functie B Afstand tot volgende servicebeurt C Digitale brandstofmeter D Buitentemperatuurmeter (indien aanwezig) E Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld) F Digitale koelvloeistoftemperatuurmeter

WEGWIJS IN UW AUTO

A B C Dfig. 12

L I H G F EF0S012Ab

A B C D E Ffig. 13

I

H GF0S013Ab

STARTEN EN RIJDEN

G Kilometerteller (weergave kilometer-/ mijltotaalteller) H Datum I Melding kans op gladheid L Tijd BEGINSCHERM INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY fig. 13 Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven: A Tijd B Afstand tot volgende servicebeurt C Buitentemperatuurmeter (indien aanwezig) D Melding kans op gladheid E Datum

F Digitale brandstofmeter G Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld) H Digitale koelvloeistoftemperatuurmeter I Kilometerteller (weergave kilometer-/ mijltotaalteller)

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

12

binnen het menu kunt u het menu naar boven of beneden doorlopen; tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of verlagen.MENUESC

fig. 14

F0S014Ab

BEDIENINGSKNOPPEN fig. 14

heden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen. MENU ESC Kort indrukken voor toegang tot het menu en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen. Even ingedrukt houden om terug te keren naar het beginscherm.

Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen.

MENU VERLICHTING BEEP SNELHEID GEGEVENS TRIP B/INSCHAKELING TRIP B TIJD INSTELLEN DATUM INSTELLEN ZIE RADIO AUTOCLOSE MEETEENHEID TAAL VOLUME WAARSCHUWINGEN VOLUME TOETSEN BUZZER GORDELS/BEEP GORDELS SERVICE AIR BAG/BAG PASSAGIER DAGVERLICHTING MENU VERLATEN

13

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

+ Om het scherm en de keuzemogelijk-

STARTEN EN RIJDEN

Opmerking Bij het openen van een voorportier wordt het display verlicht en wordt enkele seconden de tijd en de kilometer-/mijltotaalteller (indien aanwezig) weergegeven.

Het menu bestaat uit een aantal functies dat cyclisch wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen + en worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren. Bij enkele onderdelen (Tijd en Meeteenheid instellen) is er een submenu. Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MENU ESC kort in te drukken. Door de knop + of steeds in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen. De werking is afhankelijk van het geselecteerde menupunt. Het menu bestaat uit de volgende functies:

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

Opmerking Bij de knoppen + en hangt de werking van het volgende af:

SETUP-MENU

WEGWIJS IN UW AUTO

Een menupunt selecteren in het hoofdmenu zonder submenu: als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u in het hoofdmenu de instelling selecteren die u wilt wijzigen; met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd; als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het daarvoor geselecteerde menupunt in het hoofdmenu.

Een menupunt selecteren in het hoofdmenu met submenu: als u de knop MENU ESC kort indrukt, wordt het eerste menupunt van het submenu weergegeven; met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kunt u alle menupunten van het submenu doorlopen; als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u het weergegeven menupunt van het submenu selecteren en verschijnt het menu van de betreffende instelling; met de knop + of (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling van dit menupunt in het submenu worden geselecteerd; als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het daarvoor geselecteerde menupunt in het submenu.

MENU-FUNCTIESLichtsterkte (Lichtsterkte interieur regelen) Deze functie is beschikbaar met ingeschakeld dimlicht en s nachts, voor regeling van de lichtsterkte van het instrumentenpaneel, de bedieningsknoppen, het display van de autoradio en het display van de automatische klimaatregeling. Bij een multifunctioneel display zijn bij daglicht en bij ingeschakeld dimlicht, het instrumentenpaneel, de bedieningsknoppen, de displays van de autoradio en de klimaatregeling op de maximale lichtsterkte verlicht. Bij een instelbaar multifunctioneel display is bij daglicht en bij ingeschakeld dimlicht, de verlichting in de auto gedoofd. Als de auto in een donker gedeelte komt (bijvoorbeeld in een tunnel), dan worden het instrumentenpaneel, de bedieningsknoppen en het display van de autoradio en de automatische klimaatregeling verlicht overeenkomstig de geselecteerde lichtsterkte.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

14

druk op knop + of om de lichtsterkte in te stellen; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnt het opschrift (Beep Snelh.); druk op de knop + of om de snelheidslimiet in te schakelen (On) of uit te schakelen (Off); als de functie al was ingeschakeld (On), kan met de knop + of de gewenste snelheidslimiet worden ingesteld en worden bevestigd door het indrukken van de knop MENU ESC.

druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Ga als volgt te werk als u de instelling wilt annuleren: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert (On); druk kort op de knop ; op het display knippert (Off); druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

15

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

Ga voor het instellen van de snelheidslimiet als volgt te werk:

VEILIGHEID

druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het eerder ingestelde niveau;

Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/h of mph) worden ingesteld. Als deze limiet wordt overschreden, wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie hoofdstuk Lampjes en berichten).

WEGWIJS IN UW AUTO

Ga voor het instellen van de lichtsterkte als volgt te werk:

Beep Snelheid (Snelheidslimiet)

Opmerking De waarde kan worden ingesteld tussen 30 en 200 km/h of tussen 20 en 125 mph, afhankelijk van de ingestelde meeteenheid (zie de paragraaf Meeteenheid instellen (Meeteenheid) hierna). Elke keer als u de knop + / indrukt, wordt de waarde 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Als u de knop +/ ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten.

WEGWIJS IN UW AUTO

Gegevens trip B (Inschakeling Trip B) Met deze functie kan de weergave van Trip B (dagteller) worden ingeschakeld (On) of uitgeschakeld (Off). Zie voor meer informatie de paragraaf Trip computer. Ga voor het in-/uitschakelen als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

Tijd instellen (Klokje instellen) Met deze functie kan het klokje worden ingesteld in twee submenus: Tijd en Formaat. Ga voor het verstellen als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnen de twee submenus Tijd en Formaat; druk op de knop + of om tussen de submenus te navigeren; druk na het selecteren van het submenu dat u wilt wijzigen, kort op de knop MENU ESC; als u in het submenu Tijd zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knipperen de uren; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC; op het display knipperen de minuten; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren.

Opmerking Elke keer als u de knop + of indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten. als u in het submenu Formaat zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de tijdsaanduiding; druk op de knop + of voor weergave van de tijd in 24h of 12h. Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan. druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

16

Met deze functie kan de datum worden ingesteld (dag - maand - jaar). Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het jaar; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de maand; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de dag; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren. Opmerking Elke keer als u de knop + of indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten. druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

audio-CD, MP3-CD: nummer van het muziekstuk; Ga voor het inschakelen (On) of uitschakelen (Off) van de informatie van het audiosysteem op het display als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnt een submenu; druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan; druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.

17

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

Radio: frequentie of RDS-bericht van het geselecteerde radiostation, automatisch zoeken of AutoSTore inschakelen;

Ga voor het in- of uitschakelen van deze functie als volgt te werk:

VEILIGHEID

Met deze functie kan op het display de informatie over de autoradio worden weergegeven.

Als deze functie is ingeschakeld (On), worden de portieren automatisch vergrendeld als de auto sneller rijdt dan 20 km/h.

WEGWIJS IN UW AUTO

Datum instellen (Datum instellen)

Zie radio (Herhaling informatie audiosysteem)

Autoclose (Centrale portiervergrendeling bij rijdende auto) (indien aanwezig)

WEGWIJS IN UW AUTO

Meeteenheid (Meeteenheid instellen) Met deze functie kunnen de meeteenheden worden ingesteld in drie submenus: Afstand, Verbruik en Temperatuur. Ga voor het instellen van de gewenste meeteenheid als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnen de drie submenus; druk op de knop + of om tussen de drie submenus te navigeren; druk na het selecteren van het submenu dat u wilt wijzigen, kort op de knop MENU ESC; als u in het submenu Afstand zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display wordt km of mijl weergegeven, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; als u in het submenu Verbruik zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display wordt km/l, l/100km of mpg weergegeven, afhankelijk van de instelling;

Als de meeteenheid afstand is ingesteld op km, kan de meeteenheid verbruik worden ingesteld op km/l of l/100 km. Als de meeteenheid afstand is ingesteld op mijl, geeft het display de hoeveelheid verbruikte brandstof aan in mpg. druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; als u in het submenu Temperatuur zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display wordt C of F weergegeven, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan. druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.

Taal (Taal instellen) U kunt de taal van het display instellen: Italiaans, Engels, Duits, Portugees, Spaans, Frans, Nederlands, Pools. Ga om de gewenste taal in te stellen als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de ingestelde taal; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

18

druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het niveau van het ingestelde volume; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het niveau van het ingestelde volume; druk op de knop + of om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.

Service (Geprogrammeerd onderhoud) Met deze functie kan worden weergegeven hoeveel kilometers nog resteren voordat een servicebeurt moet worden uitgevoerd. Ga voor het raadplegen van deze aanwijzingen als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de afstand in km of mijl, afhankelijk van de instelling (zie de paragraaf Meeteenheid afstand); druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.

19

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:

Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:

VEILIGHEID

Het volume van het akoestische signaal (buzzer) dat klinkt voor het melden van een storing of waarschuwing, kan ingesteld worden op 8 niveaus.

Het akoestische signaal dat klinkt bij het indrukken van de knoppen MENU ESC, + en , kan worden ingesteld op 8 niveaus.

De functie wordt alleen weergegeven als het SBR-systeem door het Abarth Servicenetwerk is uitgeschakeld (zie de paragraaf SBR-systeem in het hoofdstuk Veiligheid).

WEGWIJS IN UW AUTO

Volume waarschuwingen (Volumeregeling waarschuwingszoemer)

Volume toetsen (Volumeregeling toetsen)

Buzz. Gordels (Herinschakeling buzzer voor melding SBR-systeem)

NOODGEVALLEN

Opmerking Het Geprogrammeerd onderhoudsschema voorziet elke 30.000 km (of iedere 18.000 mijl) in een servicebeurt; deze weergave verschijnt automatisch als de sleutel in stand MAR staat, vanaf 2.000 km (of gelijke waarde in mijl). De weergave wordt elke 200 km (of gelijke waarde in mijl) opnieuw weergegeven. Onder de 200 km wordt de weergave met kleinere intervallen weergegeven. De weergave is afhankelijk van de ingestelde meeteenheid in km of mijl. Als u dicht bij de volgende servicebeurt bent en u de contactsleutel in stand MAR draait, verschijnt op het display het opschrift Service gevolgd door het aantal kilometers/mijlen dat resteert tot de volgende servicebeurt. Wendt u tot het Abarth Servicenetwerk voor het uitvoeren van de werkzaamheden van het Onderhoudsschema en voor het op nul zetten van deze weergave (reset).

VEILIGHEID

Bag passagier Inschakeling/Uitschakeling van de frontairbag aan passagierszijde en de zij-airbag voor de bescherming van borstkas/bekken (sidebag) (indien aanwezig) Met deze functie kan de airbag aan passagierszijde worden in- en uitgeschakeld. Ga als volgt te werk: druk op de knop MENU ESC en druk, na het verschijnen op het display van het bericht (Bag pass: Off) (voor uitschakelen) of het bericht (Bag pass: On) (voor inschakelen) door op de knop + of te drukken, nogmaals op de knop MENU ESC; op het display verschijnt het bericht om de instelling te bevestigen; selecteer door het indrukken van de knop + of (Ja) (voor bevestiging van de inschakeling/uitschakeling) of (Nee) (om te annuleren); druk kort op de knop MENU ESC; er verschijnt een bevestiging van de gekozen instelling en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm of, wanneer de knop even ingedrukt wordt gehouden, naar het beginscherm zonder op te slaan.

WEGWIJS IN UW AUTO

Dagverlichting (D.R.L.) Met deze functie kunt u de dagverlichting in- of uitschakelen. Ga voor het in- of uitschakelen van deze functie als volgt te werk: druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnt een submenu; druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling; druk op de knop + of om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan; druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt. Menu verlaten Laatste functie waarmee de instellingen uit het menuscherm worden afgesloten. Druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Als u de knop indrukt, wordt teruggekeerd naar het eerste menupunt (Beep Snelheid).

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

20

Afgelegde afstand B Algemene informatie Met de Trip computer kan, als de contactsleutel in stand MAR staat, op het display informatie worden weergegeven over de werking van de auto. Deze functie bestaat uit Trip A en Trip B die onafhankelijk van elkaar werken en betrekking hebben op de hele rit van de auto. Beide functies kunnen op nul worden gezet (reset - begin van de nieuwe rit). Trip A geeft informatie over: Autonomie (actieradius) Afgelegde afstand Gemiddeld verbruik Huidig verbruik Gemiddelde snelheid Reistijd. Gemiddeld verbruik B Gemiddelde snelheid B Reistijd B. Opmerking De functie Trip B kan worden uitgeschakeld (zie de paragraaf Trip B). De gegevens Autonomie en Huidig verbruik kunnen niet op nul worden gezet. Weergegeven gegevens Autonomie (actieradius) Geeft globaal het aantal kilometers aan dat nog gereden kan worden met de brandstof in de brandstoftank, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de rijstijl niet verandert. Op het display verschijnt de indicatie - - - als: de actieradius kleiner is dan 50 km (of 30 mijl) de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat.

Afgelegde afstand Geeft de afstand aan die de auto heeft afgelegd vanaf het begin van een nieuwe rit. Gemiddeld verbruik Geeft globaal het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het begin van een nieuwe rit. Huidig verbruik Geeft doorlopend de wijziging in het brandstofverbruik aan. Als de auto stilstaat met draaiende motor wordt - - - - op het display weergegeven.

21

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

TRIP COMPUTER

Trip B geeft informatie over:

BELANGRIJK De waarde van de actieradius kan door verschillende factoren worden benvloed: rijstijl (zie de paragraaf Rijstijl in het hoofdstuk Starten en rijden), type traject (snelwegen, stad, bergen enz.), gebruiksomstandigheden van de auto (vervoerde lading, bandenspanning enz.). Houd hier bij het plannen van een reis rekening mee.

Gemiddelde snelheid Geeft de gemiddelde snelheid van de auto aan op basis van de tijd die verstreken is vanaf het begin van een nieuwe rit. Reistijd Geeft de verstreken tijd aan vanaf het begin van een nieuwe rit. Bedieningsknop TRIP fig. 15 Met de knop TRIP, op de rechter hendel, krijgt u, als de contactsleutel in stand MAR staat, toegang tot de hiervoor beschreven gegevens en kunnen de gegevens op nul worden gezet om een nieuwe rit te beginnen: kort indrukken voor weergave van de verschillende gegevens; even ingedrukt houden voor het op nul zetten (reset) en het beginnen van een nieuwe rit.fig. 15F0S015Ab

WEGWIJS IN UW AUTO

Procedure voor het begin van een rit Voor het op nul zetten (reset) moet u, met de sleutel in stand MAR, langer dan 2 seconden op de knop TRIP drukken. Trip verlaten De functie TRIP wordt automatisch verlaten, nadat alle grootheden zijn weergegeven of als de knop MENU ESC langer dan 1 seconde is ingedrukt.

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

Nieuwe rit Begint als een reset is uitgevoerd: handmatig door de gebruiker d.m.v. het indrukken van de betreffende knop; automatisch wanneer de afgelegde afstand de waarde 9999,9 km bereikt of wanneer de reistijd de waarde 99.59 (99 uur en 59 minuten) bereikt; iedere keer als de accu losgekoppeld is geweest. BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van Trip A wordt weergegeven, dan worden alleen de gegevens van Trip A op nul gezet. BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van Trip B wordt weergegeven, dan worden alleen de gegevens van Trip B op nul gezet.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

22

ZITPLAATSEN VOOR ATTENTIE Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een stilstaande auto worden uitgevoerd.fig. 16F0S016Ab

fig. 18

F0S018Ab

Verstellen in lengterichting fig. 16 Trek de hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren: als u rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op de stuurwielrand steunen.

2 1 5 D 3fig. 17F0S017Ab

6

D 4F0S019Ab

Verstellen van de rugleuning fig. 17 Draai aan de knop B.

23

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ATTENTIE Als u de hendel hebt losgelaten, controleer dan of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen.

fig. 19

Hoogteverstelling fig. 18 Trek de hendel C uit en verplaats hiermee het achterste deel van de zitting omhoog of omlaag voor een betere en comfortabelere zitpositie.

Rugleuning omklappen fig. 19 Bedien voor het omklappen van de rugleuning, de hendel D (beweging a) en kantel de rugleuning naar voren, totdat hij vergrendelt (beweging b); laat de hendel D los en duw tegen de rugleuning zodat de stoel naar voren schuift (beweging c).

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

ZITPLAATSEN

WEGWIJS IN UW AUTO

Bestuurders- en passagierszijde indien voorzien van een standgeheugen Schuif de stoel om deze in de oorspronkelijke stand te zetten, naar achteren door op de rugleuning te drukken totdat de stoel vergrendelt (beweging d); bedien de hendel D (beweging e) om de rugleuning te ontgrendelen en kantel de rugleuning omhoog (beweging f) totdat hij hoorbaar vergrendelt. ATTENTIE Door het gebruik van hendel D voordat de stoel in de oorspronkelijke stand is vergrendeld, gaat de oorspronkelijke instelling verloren, waardoor de stoel opnieuw m.b.v. de verstelling in lengterichting fig. 16 moet worden afgesteld. Passagierszijde zonder standgeheugen Schuif de stoel om deze in de oorspronkelijke stand te zetten, naar achteren door op de rugleuning te drukken totdat de gewenste stand is bereikt (beweging d); bedien de hendel D (beweging e) om de rugleuning te ontgrendelen en kantel de rugleuning omhoog (beweging f) totdat hij hoorbaar vergrendelt. ATTENTIE Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een stilstaande auto worden uitgevoerd.

HOOFDSTEUNENACHTER (indien aanwezig) fig. 21 Om de hoofdsteunen achter te verwijderen, moet u gelijktijdig de knoppen B en C aan de kant van de twee steunen indrukken en de hoofdsteunen uittrekken. Voor het verwijderen van de hoofdsteunen achter moet of de achterklep worden geopend of de rugleuning zijn ontgrendeld en naar voren worden gekanteld. Om de hoofdsteun in de gebruiksstand te zetten, moet u de hoofdsteun omhoog plaatsen totdat hij vergrendelt. Druk voor het omlaagplaatsen van de hoofdsteun op de knop B. De bijzondere constructie van de hoofdsteun verhindert dat de passagier achter op de juiste wijze tegen de rugleuning kan steunen; deze constructie is nuttig omdat de passagier gedwongen wordt de hoofdsteun voor gebruik omhoog in de juiste stand te trekken. BELANGRIJK Als de zitplaatsen achter gebruikt worden, moeten de hoofdsteunen altijd volledig zijn uitgetrokken.

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

fig. 20

F0S020Ab

NOODGEVALLEN

De vergrendelingsmethode is gekozen om de veiligheid van de inzittende te garanderen. Als bij aanwezigheid van een obstakel (bijvoorbeeld een tas), de stoel niet in de oorspronkelijke stand kan worden teruggezet, dan garandeert het mechanisme dat de stoel toch in de geleiders wordt vergrendeld, zodra de rugleuning wordt teruggeklapt. ZITPLAATSEN ACHTER fig. 20 Rugleuning ontgrendelen Bij uitvoeringen met ondeelbare achterbank: trek de hendels A en B omhoog en plaats de rugleuning op de zitting. Bij uitvoeringen met deelbare achterbank: trek de hendel A of B omhoog om respectievelijk het linker of het rechter deel van de rugleuning te ontgrendelen en plaats de rugleuning op de zitting.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

LAMPJES EN BERICHTEN

24

Dit kan verticaal worden versteld (indien van toepassing). Voor het verstellen moet de hendel A-fig. 24 omlaag geplaatst worden in stand 2; zet het stuur daarna in de gewenste stand en vergrendel het in deze stand door de hendel A in stand 1 te plaatsen.fig. 21F0S021Ab

fig. 22

F0S022Ab

25

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

ATTENTIE Verstel het stuurwiel alleen als de auto stilstaat en de motor is afgezet.

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

STUURWIEL

WEGWIJS IN UW AUTO

SPIEGELSBINNENSPIEGEL fig. 23 De binnenspiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor de spiegel bij een krachtig contact met een inzittende losschiet. Met het hendeltje A kan de spiegel in twee standen worden gezet: normale of antiverblindingsstand. ELEKTRONISCH DIMBARE BINNENSPIEGEL (indien aanwezig) Enkele uitvoeringen zijn voorzien van een elektronisch dimbare binnenspiegel met automatische anti-verblindingsfunctie. Aan de onderzijde van de spiegel is een ON/OFF-knop aanwezig voor het in-/uitschakelen van de anti-verblindingsfunctie. Bij inschakeling gaat het lampje op de spiegel branden. Als u de achteruit inschakelt, wordt de spiegel altijd ingesteld op de heldere dagstand.fig. 23F0S0023Ab

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

fig. 24

F0S024Ab

BUITENSPIEGELS Met elektrische verstelling fig. 24 Ga als volgt te werk: kies met de schakelaar B welke spiegel u wilt verstellen; plaats voor het verstellen van de spiegel de joystick A in een van de vier richtingen. Buitenspiegels inklappen fig. 25 Indien nodig (bijv. bij nauwe doorgangen) kunnen de buitenspiegels worden ingeklapt door ze vanuit stand 1 (uitgeklapt) naar stand 2 (ingeklapt) te bewegen. ATTENTIE Tijdens het rijden moeten de spiegels altijd in stand 1 staan.

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

fig. 25

F0S025Ab

ONDERHOUD EN ZORG

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ATTENTIE De buitenspiegels zijn bol, waardoor de afstandswaarneming iets wordt benvloed.

26

LUCHTROOSTERS fig. 26 1. Luchtroosters voor ontwaseming of ontdooiing van de voorruit 2. Verstel- en regelbare luchtroosters in het midden 3. Verstel- en regelbare luchtroosters aan zijkant 4. Vaste luchtroosters voor de zijruiten 5. Onderste luchtroosters

fig. 26

F0S026Ab

27

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

KLIMAATREGELING

WEGWIJS IN UW AUTO

VERWARMING EN VENTILATIEBEDIENINGSKNOPPEN fig. 29 A Draaiknop voor luchtemperatuur (rood-warm / blauw-koud) B Draaiknop voor aanjagersnelheid C Draaiknop voor luchtrecirculatie luchtrecirculatie luchttoevoer van buiten

A

B

C

D

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

LAMPJES EN BERICHTEN

TTC

ONDERHOUD EN ZORG

BELANGRIJK Het verdient aanbeveling om de luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan. D Draaiknop voor luchtverdeling gericht op het lichaam en naar de zijruiten gericht op het lichaam, naar de zijruiten en de beenruimte gericht alleen naar de beenruimte gericht naar de beenruimte en de voorruit - gericht alleen naar de voorruit.

NOODGEVALLEN

Efig. 27F0S027Ab

E Knop voor in-/uitschakeling achterruitverwarming. Bij inschakeling gaat het lampje op de knop branden. De functie is voorzien van een tijdschakeling om de lading van de accu te behouden, waardoor de functie na ongeveer 20 minuten automatisch wordt uitgeschakeld.

Snelle ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor Ga als volgt te werk: draai de knop A in het rode vlak; draai de knop C in stand ; draai de knop D in stand -; draai de knop B in stand 4- (maximale aanjagersnelheid).

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

28

AIRCONDITIONING, HANDBEDIEND (indien aanwezig)BEDIENINGSKNOPPEN fig. 30 A Draaiknop voor luchtemperatuur (rood-warm / blauw-koud) B Draaiknop voor aanjagersnelheid en in-/uitschakeling airconditioning. Als u de knop indrukt, schakelt de airconditioning in en gaat gelijktijdig het lampje op de knop branden; hierdoor wordt het interieur sneller gekoeld. C Draaiknop voor luchtrecirculatie luchtrecirculatie luchttoevoer van buiten BELANGRIJK Het verdient aanbeveling om de luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan.fig. 28

A

B

C

D

TTC

EF0S028Ab

29

ALFABETISCH REGISTER

D Draaiknop voor luchtverdeling gericht op het lichaam en naar de zijruiten gericht op het lichaam, naar de zijruiten en de beenruimte gericht alleen naar de beenruimte gericht naar de beenruimte en de voorruit - gericht alleen naar de voorruit.

E Knop voor in-/uitschakeling achterruitverwarming. Bij inschakeling gaat het lampje op de knop branden. De functie is voorzien van een tijdschakeling om de lading van de accu te behouden, waardoor de functie na ongeveer 20 minuten automatisch wordt uitgeschakeld.

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

WEGWIJS IN UW AUTO

Snelle ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor (MAX-DEF) Ga als volgt te werk: draai de knop A in het rode vlak; draai de knop C in stand ; draai de knop D in stand -; draai de knop B in stand 4- (maximale aanjagersnelheid).

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

BELANGRIJK De airconditioning kan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdat de lucht droger wordt. Stel de bedieningsknoppen in zoals hiervoor beschreven en schakel de airconditioning in door de knop B in te drukken; het lampje op de knop gaat branden.

ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door het Abarth Servicenetwerk controleren.

30

AIRCONDITIONING, AUTOMATISCH (indien aanwezig)De automatische airconditioning regelt de temperatuur automatisch op basis van de instelling die de gebruiker heeft gekozen: de temperatuur van de luchttoevoer naar het interieur; de aanjagersnelheid (traploze regeling); de luchtverdeling in het interieur; de in-/uitschakeling van de compressor (voor koelen en drogen van de lucht); de in-/uitschakeling van de recirculatie. Deze functies kunnen handmatig worden gewijzigd, d.w.z. dat u het systeem kunt regelen door naar wens een of meer functies te selecteren. Als handmatig een functie wordt ingesteld, blijven de andere functies echter automatisch geregeld, ook al dooft het lampje op de knop AUTO.Dfig. 29

E

F

B

G

A

CTTC

H

L

F0S029Ab

31

ALFABETISCH REGISTER

Als u de knop AUTO indrukt en u de gewenste temperatuur instelt, regelt het systeem de temperatuur, de luchtopbrengst en de luchtverdeling in het interieur en schakelt de aircocompressor in.

Als de compressor is uitgeschakeld: wordt de recirculatie uitgeschakeld om het eventuele beslaan van de ruiten te voorkomen;

TECHNISCHE GEGEVENS

Knop AUTO - A Automatische werking airconditioning inschakelen

Als u op de knop drukt als het lampje op de knop brandt, wordt de aircocompressor uitgeschakeld en dooft het lampje.

ONDERHOUD EN ZORG

BEDIENINGSORGANEN fig. 29

Knop - B Aircocompressor in-/uitschakelen

NOODGEVALLEN

M

I

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

VEILIGHEID

kan de temperatuur van de lucht naar het interieur niet lager worden dan de buitentemperatuur (de temperatuuraanduiding op het display knippert als het systeem er niet in slaagt het gewenste klimaat te bereiken); kunt u handmatig de aanjagersnelheid op nul zetten (als de compressor is ingeschakeld, dan kan de aanjagersnelheid niet lager zijn dan een minimale waarde (n staafje verlicht)). Knop OFF - C Systeem uitschakelen Als u op de knop OFF drukt, wordt het systeem uitgeschakeld. Als het systeem is uitgeschakeld: zijn alle lampjes gedoofd; is het temperatuurdisplay gedoofd; is de luchtrecirculatie uitgeschakeld; is de compressor uitgeschakeld; is de aanjager uitgeschakeld. Onder deze omstandigheden kunt u de recirculatie in- of uitschakelen zonder het systeem te activeren.

WEGWIJS IN UW AUTO

Knop - D Luchtrecirculatie in-/uitschakelen Het verdient aanbeveling om de luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Lampje op de knop brandt = recirculatie ingeschakeld. Lampje op de knop gedoofd = recirculatie uitgeschakeld. Bij lage temperaturen of wanneer de compressor is uitgeschakeld, wordt de recirculatie geforceerd uitgeschakeld om het beslaan van de ruiten te voorkomen. BELANGRIJK Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recirculatiefunctie niet te gebruiken omdat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan. Knoppen - E Gewenste temperatuur instellen Als u op de knop drukt, wordt de temperatuur in het interieur verhoogd, totdat de waarde HI (maximale verwarming) is bereikt. Als u op de knop drukt, wordt de temperatuur in het interieur verlaagd, totdat de waarde LO (maximale koeling) is bereikt.

BELANGRIJK Als de motorkoelvloeistof niet warm genoeg is, schakelt het systeem niet onmiddellijk de maximale aanjagersnelheid in, om de toevoer van te koude lucht in het interieur te beperken. Knoppen - F Aanjagersnelheid instellen Als u op de knop of drukt, wordt de aanjagersnelheid respectievelijk verhoogd of verlaagd; de aanjagersnelheid wordt weergegeven door verlichte staafjes op het display. De aanjager kan worden uitgeschakeld, maar alleen als u de aircocompressor hebt uitgeschakeld (knop B). Om de automatische regeling van de aanjagersnelheid weer in te schakelen, moet u de knop AUTO indrukken. Knoppen - G H I Luchtverdeling handmatig kiezen Als u deze knoppen indrukt, dan kunt u een van de vijf mogelijke luchtverdelingen kiezen: lucht uit de luchtroosters voor ontdooiing/ontwaseming van de voorruit en de zijruiten voor. lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard voor een koele luchtstroom op het lichaam en het gezicht bij warm weer.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

32

de luchtrecirculatie uitschakelt; de maximale luchttemperatuur instelt (HI); een aanjagersnelheid inschakelt op basis van de koelvloeistoftemperatuur; de luchtstroom naar de voorruit en de zijruiten voor leidt; de achterruitverwarming inschakelt. BELANGRIJK De functie blijft ongeveer 3 minuten ingeschakeld nadat de koelvloeistoftemperatuur boven 50C is gekomen (benzine-uitvoeringen) of 35C (dieseluitvoeringen). ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door het Abarth Servicenetwerk controleren.

De airconditioning maakt gebruik van het koelmiddel R134a. Bij lekkage is dit middel niet schadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval andere middelen, zoals R12, omdat anders de componenten van het systeem beschadigd kunnen worden. ONTWASEMING/ ONTDOOIING ACHTERRUIT Druk op de knop M voor het inschakelen van deze functie: het lampje ( op het instrumentenpaneel gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld. De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na 20 minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop ( in te drukken. BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen.

De ingestelde luchtverdeling wordt aangegeven door een brandend lampje op de geselecteerde knoppen. Om de automatische regeling van de luchtverdeling weer in te schakelen, moet u de knop AUTO indrukken. Knop - - L Snelle ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor Als u op de knop - drukt, schakelt het systeem automatisch alle functies in die noodzakelijk zijn voor het snel ontdooien/ontwasemen van de voorruit en de zijruiten voor, d.w.z. dat het systeem:

33

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

lucht uit de luchtroosters voor de beenruimte voor. Doordat warme lucht opstijgt, kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd. Dit geeft snel een behaaglijk gevoel. + lucht uit de luchtroosters voor de beenruimte (warmere lucht) en de uitstroomopeningen op het dashboard (koelere lucht). + lucht uit de luchtroosters voor de beenruimte en de luchtroosters voor de voorruit en zijruiten voor. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt het eventuele beslaan van de ruiten.

de aircocompressor inschakelt wanneer de klimatologische omstandigheden dit toestaan;

WEGWIJS IN UW AUTO

BUITENVERLICHTINGMet de linker hendel bedient u de buitenverlichting. De buitenverlichting werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. Als u de buitenverlichting inschakelt, gaan ook de verlichting van het instrumentenpaneel en de bedieningsknoppen op het dashboard branden. DAGVERLICHTING (D.R.L.) (indien aanwezig) fig. 30 Als u met de sleutel in stand MAR de draaiknop in stand O zet, wordt automatisch de dagverlichting ingeschakeld; de andere lampen en de interieurverlichting blijven uitgeschakeld. De automatische inschakeling van de dagverlichting kan worden in- of uitgeschakeld via het menu op het display (zie de paragraaf Multifunctioneel display en instelbaar multifunctioneel display in dit hoofdstuk). Als de dagverlichting wordt uitgeschakeld, dan gaat geen enkele verlichting branden als de draaiknop in stand O staat. ATTENTIE De dagverlichting is een alternatief voor het dimlicht tijdens het rijden overdag. Deze dagverlichting is in bepaalde landen verplicht en waar niet verplicht, toegestaan. De dagverlichting is geen vervanging voor het dimlicht tijdens het rijden in tunnels of in het donker. Het gebruik van de dagverlichting is afhankelijk van de wettelijke voorschriften van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.fig. 30F0S030Ab

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

fig. 31

F0S031Ab

DIMLICHT/ BUITENVERLICHTING fig. 30 Draai met de contactsleutel in stand MAR, de draaiknop in stand 2. Als het dimlicht wordt ingeschakeld, schakelt de dagverlichting uit en schakelen de buitenverlichting en het dimlicht in. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3 branden. Draai met de contactsleutel in stand STOP of met uitgenomen sleutel, de draaiknop van stand O in stand 2; de buitenverlichting en de kentekenplaatverlichting schakelen in. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3 branden. GROOTLICHT fig. 30 Druk de hendel naar voren in de richting van het dashboard, als de draaiknop reeds in stand 2 staat (vergrendelde stand). Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. Als vervolgens de hendel naar het stuurwiel wordt getrokken, dan dooft het grootlicht en wordt het dimlicht weer ingeschakeld.

GROOTLICHTSIGNAAL fig. 30 Trek de hendel naar het stuur (stand zonder vergrendeling). Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. RICHTINGAANWIJZERS fig. 31 Zet de hendel in de vergrendelde stand: omhoog (stand a): inschakeling rechter richtingaanwijzer; omlaag (stand b): inschakeling linker richtingaanwijzer. Op het instrumentenpaneel knippert het controlelampje of . De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt. Functie wisselen van rijbaan Als u bij wisseling van rijbaan kort richting wilt aangeven, moet u de linker hendel korter dan een halve seconde in de onvergrendelde stand zetten. De richtingaanwijzers aan de betreffende zijde knipperen 3 keer en doven daarna automatisch.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

34

Met dit systeem kan de ruimte voor de auto een bepaalde tijd worden verlicht. Inschakelen U schakelt deze functie in door de contactsleutel in stand STOP te draaien of uit te nemen en de linker hendel binnen 2 minuten na het uitzetten van de motor naar het stuur te trekken. Telkens als u de hendel bedient, blijft de verlichting 30 seconden langer branden, tot een maximum van 210 seconden; hierna schakelt de verlichting automatisch uit. Telkens als de hendel wordt bediend, gaat het controlelampje 3 op het instrumentenpaneel branden en verschijnt op het display de tijd dat de functie actief blijft. Het lampje gaat branden als de hendel voor het eerst bediend wordt en blijft branden totdat de functie automatisch wordt uitgeschakeld. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt alleen de inschakeltijd van de verlichting verlengd. Uitschakelen Houd de hendel langer dan 2 seconden naar het stuur getrokken.

Met de rechter hendel fig. 32 kunt u de ruitenwissers/-sproeiers en achterruitwisser/-sproeier bedienen. RUITENWISSERS/-SPROEIERS Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. De hendel kan in vijf verschillende standen worden gezet (4 snelheidsniveaus): A ruitenwissers uitgeschakeld. B wissen met interval. C langzaam continu wissen. D snel continu wissen. E tussenslag (onvergrendelde stand). In stand E werken de ruitenwissers, zolang u de hendel met de hand in deze stand houdt. Als u de hendel loslaat, springt deze direct weer in stand A en schakelen de ruitenwissers automatisch uit.

fig. 32

F0S032Ab

Gebruik de ruitenwissers niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de ruitenwissers te zwaar worden belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwisser enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat, wendt u dan tot het Abarth Servicenetwerk.

35

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

Intelligente wis-/wasregeling Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in. Als u de hendel aangetrokken houdt, dan worden in een beweging de ruitenwissers/-sproeiers ingeschakeld; de ruitenwissers schakelen automatisch in als u de hendel langer dan een halve seconde aangetrokken houdt. De ruitenwissers blijven nog enkele slagen werken, nadat u de hendel loslaat; na enige seconden volgt nog een reinigingsslag.

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

FOLLOW ME HOME SYSTEEM

RUITEN REINIGEN

WEGWIJS IN UW AUTO

ACHTERRUITWISSER/SPROEIER Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. Als u de draaiknop in stand ' zet, schakelt de achterruitwisser in. Als u bij ingeschakelde ruitenwissers de draaiknop in stand ' zet, schakelt de achterruitwisser in die, in dit geval, gelijktijdig werkt (in de verschillende standen) met de ruitenwissers voor maar met een lagere frequentie. Als u bij ingeschakelde ruitenwissers de achteruit inschakelt, gaat automatisch ook de achterruitwisser langzaam continu wissen. De werking stopt als de achteruit wordt uitgeschakeld. Intelligente wis-/wasregeling Als u de hendel naar het dashboard duwt (onvergrendelde stand), schakelt de achterruitsproeier in. Als u de hendel aangetrokken houdt, dan worden in een beweging de achterruitwisser/-sproeier ingeschakeld; de achterruitwisser schakelt automatisch in als u de hendel langer dan een halve seconde aangetrokken houdt. De achterruitwisser blijft nog enkele slagen werken, nadat u de hendel loslaat; na enige seconden volgt nog een reinigingsslag.

STARTEN EN RIJDEN

Gebruik de achterruitwisser niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de achterruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de achterruitwisser te zwaar wordt belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de wisser enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat, wendt u dan tot het Abarth Servicenetwerk.

Brandduurregeling van de interieurverlichting (middelste stand van het lampenglas)Er zijn drie brandduurregelingen: iedere keer als een portier wordt geopend, gaat de verlichting 3 min. branden; als de contactsleutel uit het contactslot wordt genomen binnen twee minuten na het uitzetten van de motor, gaat de verlichting ongeveer 10 seconden branden; als de portieren worden ontgrendeld (met de afstandsbediening of met de sleutel in het slot van het bestuurdersportier), gaat de verlichting ongeveer 10 seconden branden. De verlichting kan op twee manieren worden uitgeschakeld: als alle portieren worden gesloten, wordt de brandduurregeling van drie minuten uitgeschakeld en gaat de verlichting 10 seconden branden. De werking van de brandduurregeling wordt onderbroken als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid; als de portieren worden vergrendeld (met de afstandsbediening of met de sleutel in het slot van het bestuurdersportier), dooft de verlichting. de interieurverlichting schakelt na 15 min. automatisch uit om de accu te sparen. BAGAGERUIMTEVERLICHTING Het lampje gaat automatisch branden als u de bagageruimte opent en dooft als de bagageruimte wordt gesloten.

VEILIGHEID

PLAFONDVERLICHTINGPLAFONDVERLICHTING VOOR Het lampenglas kan in drie standen staan: rechterzijde ingedrukt: verlichting altijd ingeschakeld linkerzijde ingedrukt: verlichting altijd uitgeschakeld middelste stand (neutraal): de verlichting wordt automatisch in-/uitgeschakeld bij het openen/sluiten van de portieren. BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of de schakelaar in de middelste stand staat. Op deze manier dooft de interieurverlichting bij het sluiten van de portieren, en voorkomt u dat de accu ontlaadt. Bij enkele uitvoeringen schakelt de verlichting alleen automatisch in of uit als het portier aan bestuurderszijde wordt geopend of gesloten. Als de portieren met de afstandsbediening worden ontgrendeld, gaat de verlichting ongeveer 10 seconden branden. Als de portieren met de afstandsbediening worden vergrendeld, dooft de plafondverlichting.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

36

MENU CDMP3 RND RPT TPM CD-IN EQLOUD AF LOC PTY TP TA RMB PB CD

SPORT-FUNCTIE fig. 33 Als u op de SPORT-knop A-fig. 33 drukt, wordt de sport-functie ingeschakeld. Hierdoor reageert de motor sneller op gaspedaalbewegingen en is meer kracht nodig voor het draaien van het stuur voor een optimaal stuurgevoel. Als de functie is ingeschakeld, dan wordt op het instrumentenpaneel het opschrift SPORT verlicht. Druk nogmaals op de knop om deze functie uit te schakelen en de instelling voor normaal rijden te herstellen. BELANGRIJK Als u de SPORT-knop indrukt, wordt de functie na ongeveer 5 seconden ingeschakeld. BELANGRIJK Als u tijdens het accelereren de SPORT-functie gebruikt, kunt u stoten in het stuurwiel voelen, die kenmerkend zijn voor een sportieve instelling.

A

FM AS

AM

1

2

3

B

4

5

6

AUD

C

fig. 33

F0S033Ab

Noodstop Bij een noodstop schakelen automatisch de waarschuwingsknipperlichten in en gaan gelijktijdig de lampjes en op het instrumentenpaneel branden. De functie schakelt automatisch uit als de remvertraging niet meer het karakter van een noodstop heeft. Deze functie voldoet aan de huidige wettelijke voorschriften.

37

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN fig. 33 Druk op de schakelaar B, onafhankelijk van de stand van de contactsleutel. Als het systeem is ingeschakeld, branden de lampjes en op het instrumentenpaneel. Druk voor uitschakeling de schakelaar B nogmaals in. Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

BEDIENINGSORGANEN

MISTLAMPEN VOOR/ MISTACHTERLICHTEN (indien aanwezig) fig. 33 De mistlampen voor/mistachterlichten kunnen op de volgende wijze met de knop C worden ingeschakeld: 1x Indrukken: inschakeling mistlampen voor 2x Indrukken: inschakeling mistachterlichten 3x Indrukken: uitschakeling verlichting Bij ingeschakelde mistlampen voor gaat op het instrumentenpaneel het controlelampje 5 branden; bij ingeschakelde mistachterlichten gaat op het instrumentenpaneel het controlelampje 4 branden. De mistlampen voor schakelen uitsluitend in als het dimlicht is ingeschakeld.

WEGWIJS IN UW AUTO

1

2

3

4

5

6

AUD

BRANDSTOFNOODSCHAKELING Deze schakelt in bij een ongeval waardoor: de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat; de portieren automatisch ontgrendelen;

STARTEN EN RIJDEN

fig. 34

F0S034Ab

de interieurverlichting wordt ingeschakeld. Als de brandstofnoodschakeling geactiveerd is, verschijnt op het display het bericht Brandstoftoevoer afgesloten, zie instructieboekje. Controleer de auto zorgvuldig op brandstoflekkage, bijvoorbeeld in de motorruimte, onder de auto of in de nabijheid van de brandstoftank. Draai na het ongeval de contactsleutel in stand STOP om te voorkomen dat de accu ontlaadt.

MISTACHTERLICHTEN fig. 34 Druk op de knop D voor inschakeling van de mistachterlichten. Deze schakelen uitsluitend in als het dimlicht is ingeschakeld. Bij ingeschakelde mistachterlichten gaat op het instrumentenpaneel het controlelampje 4 branden. Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop.

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

Om de juiste werking van de auto te herstellen, moeten de volgende handelingen worden uitgevoerd: draai de contactsleutel in stand MAR; schakel de rechter richtingaanwijzer in; schakel de rechter richtingaanwijzer uit; schakel de linker richtingaanwijzer in; schakel de linker richtingaanwijzer uit; schakel de rechter richtingaanwijzer in; schakel de rechter richtingaanwijzer uit; schakel de linker richtingaanwijzer in; schakel de linker richtingaanwijzer uit; draai de contactsleutel in stand STOP.

VEILIGHEID

ATTENTIE Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, schakel dan het systeem niet opnieuw in, zodat brand wordt voorkomen.

ALFABETISCH REGISTER

38

A

A

AANSTEKER (indien aanwezig)

Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid. Op de achterzijde van de zonneklep aan passagierszijde bevindt zich een spiegeltje, dat verlicht kan worden door een plafondlampje (indien aanwezig) en dat bediend wordt door knop B. Op de zonneklep aan bestuurders- en passagierszijde bevindt zich een documentenvakje.

Trek aan de handgreep A om het dashboardkastje te openen.

39

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

ATTENTIE Rijd niet met geopend dashboardkastje: bij een ongeval zou de passagier zich kunnen verwonden.

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

ATTENTIE De aansteker wordt erg heet. Gebruik de aansteker voorzichtig en voorkom dat hij gebruikt wordt door kinderen: risico op brand en/of brandwonden. Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt.

fig. 35

F0S035Ab

fig. 36

F0S036Ab

ZONNEKLEPPEN fig. 35 De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de binnenspiegel.

DASHBOARDKASTJE AAN PASSAGIERSZIJDE (indien aanwezig) fig. 36

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

INTERIEURUITRUSTING

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

fig. 37

F0S037Ab

fig. 38

F0S038Ab

fig. 39

F0S039Ab

OPBERGVAK IN MIDDENCONSOLE fig. 37 Om het vak te openen, moet u het bij de opening B naar buiten trekken zoals afgebeeld in de figuur. ATTENTIE Rijd niet met geopend dashboardkastje: bij een ongeval zou de passagier zich kunnen verwonden.

OPBERGVAK ONDER STOEL (indien aanwezig) fig. 38 Op enkele uitvoeringen bevindt zich een opbergvak onder de passagiersstoel voor. Om het te bereiken, moet u de voorzijde van de zitting 1 omhoogtillen, zodat deze loshaakt; til vervolgens de achterzijde van de zitting 2 (aan de kant van de rugleuning) omhoog. Om het opbergvak te sluiten, moet u de achterzijde van de zitting omlaag en onder de rugleuning plaatsen zonder kracht te zetten; druk vervolgens op de voorzijde van de zitting totdat deze vergrendelt.

BEKER/BLIKJESHOUDERS Op de tunnelconsole bevinden zich twee houders voor de zitplaatsen voor en twee voor de zitplaatsen achter waarin bekers of blikjes geplaatst kunnen worden.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

40

Op de stekkerdoos kunnen accessoires worden aangesloten met een maximaal vermogen van 180W (maximaal verbruik 15A).

Het opendak heeft een groot glazen paneel en een zonnescherm dat met de hand kan worden bediend. Het zonnescherm kan worden gebruikt in de standen geheel gesloten en geheel geopend (het heeft geen vaste tussenliggende standen). Zonnescherm openen: druk op de sluiting A-fig. 41, maak het zonnescherm los en begeleid het tot het geheel geopend is. Ga voor het sluiten in omgekeerde volgorde te werk. Het opendak kan uitsluitend bediend worden als de contactsleutel in stand MAR staat. Met de bedieningsknoppen A-B fig. 40 op het paneel nabij de plafondverlichting voor, kunt u het dak openen/sluiten.

41

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

STEKKERDOOS (indien aanwezig) fig. 39 De stekkerdoos is in de tunnelconsole geplaatst en wordt gevoed met de contactsleutel in stand MAR. Om de stekkerdoos te gebruiken, moet u het beschermdekseltje A openen. De juiste werking is alleen gegarandeerd als de accessoires die erop worden aangesloten, voorzien zijn van goedgekeurde stekkers. Alle accessoires uit het Lineaccessori Abarth-programma zijn van deze stekkers voorzien. BELANGRIJK Als bij uitgezette motor en de contactsleutel in stand MAR accessoires met een hoog stroomverbruik langdurig gebruikt worden (bijvoorbeeld langer dan 1 uur), kan de accu geleidelijk ontladen en de motor niet meer starten.

DAK MET VAST RUITPANEEL (indien aanwezig)Het open dak heeft een groot glazen paneel en een zonnescherm dat met de hand kan worden bediend. Het zonnescherm kan worden gebruikt in de standen geheel gesloten en geheel geopend (het heeft geen vaste tussenliggende standen). Zonnescherm openen: druk op de sluiting A-fig. 41, maak het zonnescherm los en begeleid het tot het geheel geopend is. Ga voor het sluiten in omgekeerde volgorde te werk.

fig. 40

F0S040Ab

Openen Als u de knop B-fig. 40 indrukt en ingedrukt houdt, opent het voorste ruitpaneel in kantelstand. Druk nogmaals langer dan een halve seconde op de knop B-fig. 40 om de ruit geheel te openen. De ruit kan in een tussenliggende stand worden gezet door opnieuw op de knop te drukken.

OPENDAK (indien aanwezig)

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

WEGWIJS IN UW AUTO

Als er een imperiaal gemonteerd is, is het raadzaam het opendak alleen in kantelstand te gebruiken. Open het dak niet bij sneeuw of ijs: het kan dan beschadigd worden.fig. 41F0S041Ab

Anti-letselfunctie Het opendak is voorzien van een anti-letselfunctie die een eventueel obstakel kan waarnemen als de ruit sluit. In dat geval stopt het systeem de ruitbeweging en wordt de ruitbeweging onmiddellijk omgekeerd.

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

Sluiten Als het dak in geheel geopende stand staat en u drukt langer dan een halve seconde op de knop A-fig. 40, dan komt het voorste ruitpaneel automatisch in kantelstand. De ruit kan in een tussenliggende stand worden gezet door opnieuw op de knop te drukken. Druk nogmaals op de knop Afig. 40 en houd de knop ingedrukt om het paneel geheel te sluiten.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

ATTENTIE Verwijder altijd de contactsleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat het opendak per ongeluk in beweging wordt gebracht en zo gevaar kan opleveren voor de achtergebleven inzittenden: onzorgvuldig gebruik van het opendak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens de bediening van het opendak altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van het opendak zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen.

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

42

Ga als volgt te werk: druk de knop A-fig. 40 in de sluitstand; houd de knop ingedrukt totdat het dak stapsgewijs geheel is gesloten; wacht nadat het dak geheel gesloten is, tot de elektrische motor van het dak uitschakelt.fig. 42F0S042Ab

Openen Draai de sleutel in stand 1 en trek de handgreep omhoog. SLUITEN IN NOODGEVALLEN Als het opendak niet elektrisch bediend kan worden, dan kan het handmatig worden bediend; ga hiervoor als volgt te werk: verwijder de beschermdop A-fig. 42 op de binnenbekleding, achter het zonnescherm; neem de zeskantige sleutel uit de gereedschaphouder in de bagageruimte; steek de sleutel in de zitting en draai de sleutel: rechtsom om het dak te openen; linksom om het dak te sluiten. Als u bij uitvoeringen met centrale bediening de sleutel draait, worden gelijktijdig alle portieren ontgrendeld. Met afstandsbediening: druk op knop om de portieren te ontgrendelen.

ATTENTIE Controleer voordat u een portier opent of u dit op een veilige manier kunt doen. Open de portieren alleen als de auto stilstaat.

43

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

Als de accu losgekoppeld is geweest of als een zekering is doorgebrand, moet de werking van het opendak opnieuw ingesteld worden.

VER-/ONTGRENDELEN VAN BUITENAF fig. 43

WEGWIJS IN UW AUTO

INITIALISATIEPROCEDURE

PORTIEREN

WEGWIJS IN UW AUTO

Vergrendelen Duw het bedieningshendeltje A naar het portier. Als u het hendeltje A op het bestuurdersportier bedient, worden alle portieren vergrendeld. Bij uitvoeringen met afstandsbediening wordt als het hendeltje A op het passagiersportier wordt bediend, alleen dat portier vergrendeld.

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

fig. 43

F0S043Ab

fig. 44

F0S044Ab

Vergrendelen Draai bij goed gesloten portieren de sleutel in stand 2. Bij de uitvoering met centrale bediening moeten alle portieren goed gesloten zijn. Met afstandsbediening (indien aanwezig): druk op knop ; om de portieren te vergrendelen. Als een portier niet goed gesloten is, werkt de centrale portiervergrendeling niet. BELANGRIJK De centrale portiervergrendeling werkt niet als een portier niet goed gesloten is of als er een storing in het systeem is. Na 6 pogingen snel na elkaar schakelt het systeem ongeveer 30 seconden uit.

VER-/ONTGRENDELEN VAN BINNENUIT fig. 44 Openen Trek aan het bedieningshendeltje A. Als u bij uitvoering met centrale bediening het hendeltje A op het bestuurdersportier bedient, worden alle portieren ontgrendeld. Bij uitvoeringen met afstandsbediening wordt als het hendeltje A op het passagiersportier wordt bediend, alleen dat portier ontgrendeld.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

44

TTC

ELEKTRISCHE RUITBEDIENING VOOR fig. 45 De elektrische ruitbediening werkt met de contactsleutel in stand MAR en ongeveer twee minuten nadat de sleutel in stand STOP is gedraaid of is uitgenomen. Naast de versnellingspook bevinden zich twee drukschakelaars (n per zijde) waarmee u de zijruiten bedient: A Openen/sluiten van de portierruit aan bestuurderszijde. B Openen/sluiten van de portierruit aan passagierszijde. Als u de schakelaar enkele seconden ingedrukt houdt, sluit of opent de ruit automatisch (alleen met de sleutel in stand MAR). ATTENTIE Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet kunnen worden verwond door de bewegende ruiten, hetzij direct door contact met de ruit, hetzij door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt.

Afig. 45

BF0S045Ab

45

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

ATTENTIE Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat een onverwachtse inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers.

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

RUITBEDIENING

WEGWIJS IN UW AUTO

BAGAGERUIMTEACHTERKLEP OPENEN Met de sleutel met afstandsbediening Druk op de knop R. Als de achterklep wordt ontgrendeld, knipperen de richtingaanwijzers twee keer. De achterklep gaat dankzij de gasveren gemakkelijk open. Als u de achterklep opent, gaat de bagageruimteverlichting branden: de verlichting gaat automatisch uit als u de achterklep sluit. De verlichting blijft bovendien ongeveer 15 minuten branden nadat de contactsleutel in stand STOP is gedraaid: als binnen deze 15 minuten een portier of de achterklep wordt geopend, gaat de tijdsperiode opnieuw in.fig. 46F0S046Ab

Om de achterklep met deze handgreep te kunnen openen, moet eerst een van de voorportieren worden geopend of de portieren ontgrendeld zijn met de afstandsbediening of met de mechanische sleutel. Als de achterklep niet goed gesloten is, brandt het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel (indien aanwezig).

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

Elektrisch bediende handgreep (soft touch) fig. 46 De achterklep kan (indien ontgrendeld) alleen vanaf de buitenkant worden geopend met de elektrisch werkende handgreep B die zich onder de rand bevindt. De achterklep kan bovendien altijd worden geopend als de portieren van de auto ontgrendeld zijn.

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

46

ATTENTIE Het maximum laadvermogen van de auto mag nooit overschreden worden (zie hoofdstuk Technische gegevens). Controleer bovendien of de bagageruimte goed geladen is, om te voorkomen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt.fig. 47F0S047Ab

ACHTERKLEP SLUITEN fig. 47 U sluit de achterklep door de achterklep te laten zakken en ter hoogte van het slot te drukken, totdat u de vergrendeling hoort. Aan de binnenzijde van de achterklep zit een koordje B waarmee u de achterklep makkelijker kunt sluiten.

Rijd niet met een geopende achterklep: het uitlaatgas kan in het interieur dringen.

fig. 48

F0S048Ab

ACHTERKLEP IN GEVAL VAN NOOD OPENEN fig. 48 Om de achterklep vanuit het interieur te openen (bij een lege accu of bij een storing in het elektrische systeem van de achterklep zelf), moet als volgt te werk worden gegaan (zie Bagageruimte vergroten in dit hoofdstuk): verwijder de hoofdsteunen achter (indien aanwezig); klap de rugleuningen naar voren; voor het mechanisch ontgrendelen van de achterklep, moet u vanuit de bagageruimte het hendeltje A bedienen.

Let er op dat u niet tegen voorwerpen op het imperiaal stoot als u de achterklep opent.

47

ALFABETISCH REGISTER

TECHNISCHE GEGEVENS

ATTENTIE Als u in een gebied rijdt waar brandstof moeilijk verkrijgbaar is en u daarom reservebrandstof in een jerrycan wilt vervoeren, dan dient u zich aan de geldende wetgeving te houden. Gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan en bevestig deze op de juiste wijze. Toch zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn.

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

WEGWIJS IN UW AUTO

WEGWIJS IN UW AUTO

Ga als volgt te werk: verwijder de hoofdsteunen van de achterbank (indien aanwezig); controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten; trek de hendeltjes A en B-fig. 49 omhoog om de rugleuningen te ontgrendelen en klap ze op de zitting neer.fig. 49F0S049Ab

STARTEN EN RIJDEN

VEILIGHEID

fig. 50

F0S050Ab

BAGAGERUIMTE VERGROTEN Gedeeltelijke vergroting (50/50) (indien van toepassing) fig. 49-50 Het is mogelijk de bagageruimte te vergroten door de deelbare achterbank gedeeltelijk of geheel neer te klappen. Ga als volgt te werk: verwijder de hoofdsteunen van de achterbank (indien aanwezig); voor het verwijderen van de hoofdsteunen achter moet of de achterklep worden geopend of de rugleuning zijn ontgrendeld en naar voren worden gekanteld; controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten; trek het hendeltjes A of B-fig. 49 omhoog om respectievelijk het linker of het rechter deel van de rugleuning te ontgrendelen en plaats de rugleuning op de zitting.fig. 51F0S051Ab

BELANGRIJK Bij het terugplaatsen van de rugleuning raden wij aan vanaf de buitenzijde van de auto (bij geopende portieren) te werk te gaan.

ONDERHOUD EN ZORG

NOODGEVALLEN

LAMPJES EN BERICHTEN

TECHNISCHE GEGEVENS

BELANGRIJK Bij het terugplaatsen van de rugleuning raden wij aan vanaf de buitenzijde van de auto (bij geopende portieren) te werk te gaan. Maximale vergroting fig. 51 Als de achterbank wordt neergeklapt, is de bagageruimte maximaal vergroot.

ALFABETISCH REGISTER

48

Plaats de rugleuningen omhoog en druk de leuningen naar achteren, totdat beide borgmechanismen hoorbaar inklikken. Plaats de gespen van de veiligheidsgordels omhoog en zet de zitting weer in de normale gebruiksstand. BELANGRIJK Als de rugleuning in de normale gebruiksstand wordt gezet, controleer dan of de rugleuning hoorbaar vergrendelt. Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed vergrendeld is om te voorkomen dat in geval van bruusk remmen, de rugleuning naar voren kan klappen en de passagiers kan verwonden. HOEDENPLANK VERWIJDEREN Om de hoedenplank te verwijderen, moet de hoedenplank uit de twee pennen aan de zijkant worden losgemaakt.

Openen fig. 52-53-54 Ga als volgt te