2 tJ uw - IFMSA 1. nervus abducens. 2. nervus oculomotorius. 3. nervus opticus. Vraag 9. Voor binoculair

  • View
    1

  • Download
    0

Embed Size (px)

Text of 2 tJ uw - IFMSA 1. nervus abducens. 2. nervus oculomotorius. 3. nervus opticus. Vraag 9. Voor...

  • Universit~ir Medisch Centrum

    Bloktoets Datum Aanvang

    50205.Zlntuigen en Huid 23 decemeer 2012 10.00 uur

    Deze tentamenset kunt u na afloop meenemen

    ALGEMENE AANWIJZINGEN EN INSTRUCTIE:

    bittentamen bestaat uit 92 meerkeuzevragen. De beschikoare tijd voor het gehele tentamen is 2 uur. Controleer of uw tentamenset comf'lleet is. Vermeltl op het antwoordformulier duidelijk uw naam en studentnummer. Bij iedere vraag is slechts·één alternatiefheljuiste of het beste.

    Faculteit der MedJS'che

    Wetenstihappen·

    tJ geeft het naar uw mening juiste antwoord aan door het CIJFER voor het betreffende alternatief te omcirkelen. Vragen waar u door tijdnood niet aan toekomt, laaf u onbeantwoord. Acht u alle alternatieven, na zorgvuldige bestudering, even juist, dan moet u de vraag niet beantwoorden. Kunt- u één of meerrilere alternatieven ellmlneren, Gfan moet u Gfe vraa!!J wel beantwoorden. Wanneer u het tentamen beêindigd hebt, dierit u uw antwoorden (dus de omcirkelde CIJFERs)' zorgvt:~1dig over te brengen op het antwoorlilformulier,. gebruik daarvoor een HB-potlood. Corrigeer fouten met fJY.ill. Verwijder gumresten zorgvuldig van uw antweordformuller.

    • Gpen gelaten vragen laat u qJ~nco. De op hetantwo·ordformulter ingevuJde antwoorden wo.rden besch0uwd als uw definitieve antw0orden, ongeacht uw omcirkelingen in uw toetsboekje, l'llleer dan één ingevuld antwoord per vraag werdt als blanco geïnterpteteerd.. Schrijf-niet buiten de invulvelden van het.antwoordformufler. Het gebruik van alle audiovisuele en technisct\e nulpmlP.delen is niet to~g.estaan, tenzij e:xpliei.et· vermeld elders op dit voorblad. Mocht u dergelijke apparatuur toch gebruiken, dan zal dit ·als fraude werden aangemerkt. Op uw tafel mogen uw student!'!th en registratiekaart ·en los schriftmateriaal liggen. Ëtui's moeten van tafel. Als u uw antwoordformulier vlekt, vouwt, beschadigt of de invulinstructies negeert kan het niet correct worden verwerkt. Vraag de surveillant in derg,elijke g,eval/en om een 'nieuw blanco antwo.ordformufier! Indien u dit verzuimt zijn de ge.volge.n daarvan ve.or uw. rekening.

    De vragen worden als volgt gescoerd: antwoorden: Goed Fout open 2 keuze-vraÇlg 1 -1 0 Punten 3 keuze-'lraag 1 - i'. 0 PU(lleli 4 kewze-vraag 1 - 1/3 0 Ptjpten 5 keuze-vraag 1 - ~ 0 Punten . .

    lnd1en u commentaar heeft op de vragen, noteert u dat op het eommentaarfermulier (laatste blz.) en levert' u dat na a fiool'> van het tem.tamen in, tezamej;l met uw antwoordformulier. · Voor het overige mag u de volledigter han!llgestelde tentamenset behouden.

    LET OP!!

    ZET EERST I:JW NAAM EN STUDENTNUMMER OP HET A:Nll/VOORDFORMULIER!

    VEEL $ UCCE.S!

  • Tentamen 50205 Zintuigen en Huid december 2011

    OHK

    Vraag 1. Men onderscheidt droge en natte vormen van maculadegeneratie. De angiogeneseremmers Lucentis en Avastin worden bij maculade9eneratie toegepast. Ze vinden toepassing bij:

    1. droge maculadegeneratie. 2. natte maculadegeneratie.

    Vraag 2. Soms neemt de arts een donkere vloeistofspiegel waar in de voorste oogkamer. De juiste term daarvoor is:

    1. hyphaema. 2. hypopyon. 3. hyposphagma. 4. leukocorie.

    Vraag 3. Er wordt een visusmeting verricht op 4 meter afstand van een letterkaart. De kleinste optotypen die de patiënt met het linker oog nog foutloos kan lezen staan in een regel waarbij D=50 staat vermeld. De visus van het lfnker oog is dan:

    1. 4/50. 2. 0150. 3. 4/5. 4. 5/4.

    Vraag 4. Een 20-jarige vrouw heeft een refractieafwijking die met een bril met positieve glazen kan worden gecorrigeerd. De refractieafwijking die hier aanwezig is heet:

    1 . astigmatisme. 2. hypermetropie. 3. myopie.

    Vraag 5. Een 50-jarige man heeft voor verafzien een bril nodig met glazen van -7 dioptrie beiderzijds. Hij wil ook een lee.sbril om langdurig comfortabel te kunnen lezen. De sterkte van de leesbril moet dan zijn:

    1. - 7 dioptrie. 2. - 5 dioptrie. 3. + 2 dioptrie. 4. + 5 dioptrie.

    Vraag 6. Een 50-jarige man heeft een refractieafwijking van de ogen die met een dubbelfocusbril kan worden gecorrigeerd. De refractieafwijking waarvoor een dubbelfocusbril nodig is heet:

    1. astigmatisme. 2. hypermetropie. 3. myopie. 4. presbyopie.

  • Vraag 7. De extraoe~:~laire spieren worden geïnnerveerd door hersenzenuwen. De m. rectus superior wordt geïnnerveerd door de nervus:

    1. abducens. 2. facialis. 3. oculomotorius. 4. trochlearis.

    Vraag 8. De pupil vernauwt .door werking van de m. sphlncter pupillae. Deze spier wordt geïnnerveerd door de:

    1. nervus abducens. 2. nervus oculomotorius. 3. nervus opticus.

    Vraag 9. Voor binoculair enkelzien bij blik naar links-onder is een normale funct)e nodig van bepaalde uitwendige oogspieren. Dat betreft de:

    1. · rn. obliquus inferior OD en m. rectus inferior OS 2. m. obliquus superior OD en m. re.ctus inferior OS. 3 m. rectus interlor OD en m. obliquus inferior OS. 4. m. rectus inferior 00 en m. obliquus superior 0$

    Vraag 10. Een 30-jáfige man heeft een refractieafWijking die met een bril met cilindrische glazen kah worden gecorrigeerd. De refractieafwijking die hier aanwezig is heet:

    · 1. astigmatisme. 2 , hypermetropie. 3. myopie. 4. presbyopie.

    Vraag 11. Een 3-jaar oud meisje heeft e·en afwijkende oogstand waarbij het rechter oog te veel naar nasaal staat. De oogstandsafwijking heet:

    1. cyclotropie. 2. esotropie. 3. exotropie. 4. hypertropie.

    Vraag 12. U onderzoekt een kind op scheelzien door naar de lichtreflectiebeeldjes van uw penlight in de cornea te kijken. U ziet dat in het afwijkende odg het reflectiebeeldje op dè rand van de cornea (limbus comeae) staat. De scheelzienshoek bedraagt dan ongeveer:

    1. s·. 2. 15°. 3. 30°. 4. 45".

  • - Vraag 13. U wilt de visus bepalen bij een kind van 3 jaar. De visuskaart die u hiervoor het beste kunt gebruiken is de kaart met

    1. cijfers. 2. E-haken. 3. plaatjes. 4. ringen van Landolt.

    Vraag 14. Een moeder van e.en meisje van i jaar oud meOardie en bronohospasme zijn bekende bijwerkingen van:

    1. acetazolamide (o.a. Diamox®). 2. pilocarpine (o.a. Pilogel®). 3. prostaglandine-analegen (o.a. Xalatan®) 4. timelol (o.a. Timoptol®).

  • - Vraag 19. Een rood oog kan zich manifesteren met diverse afwijkingen. Vfln de ondergenoemde afwijkingen is er één het meest visusbedreigend. Dat is:

    1. het hypopyon. 2. het hyposfagma. 3. de pinguecula. 4. het pterygium

    Vraag 20. Metamorfapsis is een belangrijk oogsymptoom ometal het verwijst naar de locatie van de pathologie. Bij metamorfapsisklachten zit de pathologie in de:

    1. cornea. 2. lens. 3. macula. 4. nervus opticus.

    Vraag 21. Voor oogbewegingen wordt een heldere terminologie gebruikt. Een beweging van slechts één oog, vanuit de primaire positie in de richting van de neus, heet:

    1 . abductie. 2. adductie . 3. convergentie. 4. diver.gentie.

    Vraag 22. Om te beoordelen of beide ogen in dezelfde richting kunnen bewegen (bijvoorbeeld allebei naar rechts of allebei naar beneden) worden daarvoor bepaalde oogbewegingen onderzocht. Men onderzoekt dan de:

    1. accommodaties. 2. ducties. 3. vergenties 4. versies.

    Vraag 23. De belangrijkste oorzaak van vermijdbare blindheid wereldwijd is:

    1. cataract. 2. glaucoom. 3. maculadegeneratie. 4. uveïtis.

    Vraag 24. Stoornissen in het kleurenzien kunnen zowel aangeboren als verworven zijn. De aangeboren stoornissen in het kleurenzien komen in de bevolking voor bij ongeveer:

    1. 2 % van de mannen. 2. 2 % van de vrouwen. 3. 8% van de mannen. 4. 8% van de vrouwen.

    Vraag 25. De visus is gedefinieerd door de kleinste gezichtshoek waaronder iemand een letter kan herkennen. Als de gezichtshoek n keer groter moet zijn dan bij een gemiddelde persoon om het te kunnen onderscheiden, dan is de visus:

    1. 1/n. 2. 5/n. 3. n. 4. 5n.

    /

  • KNO

    Vraag 26. Er zijn 12 hersenzenuwen. Eén van deze hersenzenuwen verzorgt de sensibiliteit van het aangezicht. Dit is de:

    1. n. accessorius. 2. n. facialis. 3. n. trigeminus.

    Vraag 27. In het middenoor bevinden zich drie gehoorbeentjes. E€n daarvan is verbonden met de cochlea. Dit is de:

    1. incus. 2. maJJeus. 3. stapes.

    Vraag 28. Wat ligt op de ciliën van de haarcellen van het orgaan van Corti? Dit is:

    1. de membrana tectoria. 2. een gelei met otoconiën.

    Vraag 29. De trommelholte is opgebouwd uit vier zijwanden, een boven- en een onderwand. In één van deze wanden bevindt zich de opening naar de cellulae mastoideae. Dit is de:

    1. anterisure wand. 2. mediale wand. 3. posferi·eure wand.

    Vraag 30. Door drukverschillen kan bij reizen per vliegtuig soms een vervelende sensatie in het middenoor optreden. Een middel om dit te verhelpen is het kauwen van kauwgom. De drukverschillen worden dan meestal opgeheven. De drukverschillen verdwijnen als g.evolg van het:

    1. doorslikken van het geproduceerde speeksel. 2. samentrekken van de kauwspieren.

    Vraag 31 . Een otitis externa is e:en ontsteking van:

    1. de gehoorgang. 2. de oorschelp;

    Vraag 32. Een ontsteking van het mastoid (acute mastoïditis) is een complicatie van een acute middenoorontsteking. Welk van de volgende verschijnselen hoort typisch bij een acute mastoïditis? Dat is een:

    1. dubbelzijdige klinische presentatie. 2. rood oor aan aangedane zijde. 3. tro